De Bataaf

Een paar dagen nadat ik op een internetveiling voor een prikje de slecht renderende speeltuin De Bataaf had overgenomen besloot ik daar maar eens zelf te gaan kijken. Ik arriveerde voor openingstijd en toen ik bij de kassa aankwam zat daar al een dame die druk bezig was haar cactussen water te geven. ‘We zijn nog niet open meneer!’ klonk het uit het hokje en ik wachtte geduldig af. Even over tien was ze klaar en richtte ze zich tot mij: ‘Dat is dan 5 euro meneer!’. ‘Ik kom eigenlijk voor de bedrijfsleider’, reageerde ik. ‘Die hebben we niet meer’ zei ze, maar als u iemand wilt spreken kunt u het beste bij de kok in het restaurant zijn’. Ik bedankte haar en liep de speeltuin binnen.

De Bataaf was niet veel veranderd, als kind ging ik daar vaak met mijn ouders, broer en zussen heen en werden wij in de speeltuin gedumpt terwijl mijn ouders met hun gasten iets gingen drinken of midgetgolven, daar waren wij nog te jong voor. Op loopafstand van ons huis en een ideaal uitje voor de zondagmiddag. Wat me het meest is bijgebleven was de waterbaan waar je met je eigen bootje kon varen, of, beter gezegd, expres tegen de andere bootjes botsen. Als kind was je toen nog met weinig tevreden.

In het restaurant aangekomen was de kok onvindbaar maar er was wel iemand voor de bediening en ik bestelde een kop koffie en een saucijzenbroodje. ‘Weet u ook hoe laat de kok hier is?’, vroeg ik haar. ‘Meestal rond elf’, zei ze, ‘maar als u wilt kan ik haar bellen, dan komt ze vast wat eerder, ze woont hier vlakbij. Wie kan ik zeggen dat u bent en waar het over gaat?’. ‘Ik ben Victor La Lune, de nieuwe eigenaar van dit complex’, ik zag dat ze me wat meewarig aankeek. Ze pakte haar telefoon en liep naar de keuken. In ieder geval goede saucijzenbroodjes, dacht ik, terwijl ik bijna mijn mond verbrandde bij de eerste hap.

Een half uur later zag ik Inge aankomen fietsen, ik herkende haar meteen. Ik had vroeger met haar op school gezeten en ze was de dochter van de lokale benzinepomphouder, we hadden kort iets met elkaar gehad totdat ze iets kreeg met de zoon van de lokale garagehouder en daar was ze toen mee getrouwd. Verrast keek ze me aan toen ze binnenkwam, ‘Victor, jij hier, dat is lang geleden!’, en ze schoof bij me aan, ‘en ook nog eens de nieuwe eigenaar, wat een verrassing!’. Dat was het ook voor mij.

Na wat gekeuvel over vroeger en gemeenschappelijke vrienden, ze was nog steeds getrouwd met Cees, legde ik haar uit dat ik De Bataaf te koop had zien staan, dat ik een investeringsmaatschappij had en dat ik meteen geïnteresseerd was omdat ik daar zelf als kind vroeger nog had gespeeld. En dat ik, tot mijn eigen verbazing, na mijn eerste lage bod, plots de eigenaar van was geworden en gisteren de stukken bij de notaris had laten passeren zodat ik nu formeel de eigenaar was.

‘Je bent niet de eerste’, zei ze, ‘we hebben de afgelopen jaren al een stoet van nieuwe eigenaren langs zien komen waaronder een bekende Nederlandse voetballer die in Oranje heeft gespeeld. Allemaal met de meest wilde plannen maar uiteindelijk waren ze nooit bereid echt in de speeltuin te investeren en werden we na verloop van tijd weer aan de volgende partij doorverkocht’. ‘De locatie is perfect’, zei ik, veel scholen en gezinnen in de buurt dus dat moet toch volk trekken.  Wat moet er volgens jou gebeuren?’, vroeg ik haar. ‘Tja, je zou kunnen investeren in nieuwe speelvoorzieningen maar de nostalgie van de oude speeltuin in combinatie met horeca maakt het juist aantrekkelijk volgens mij. En voor mij als kok prima werktijden omdat de keuken om vijf uur dicht gaat en het park om zes’.

Ik had natuurlijk de jaarcijfers van De Bataaf uitgebreid bestudeerd en allang besloten dat dit een verloren zaak was maar dat vertelde ik haar natuurlijk niet. Het ging mij meer om de grond en het mooie historische gebouw en ik had al iemand gevonden die op deze locatie een welnesscentrum wilde vestigen. Maar daarvoor moest ik wel eerst de locatie leeg opleveren, zonder al te veel kosten te maken natuurlijk. Ik had hierover al een overeenkomst met de toekomstige eigenaar afgesloten.

‘Heb jij geen zin de exploitatie van De Bataaf over te nemen?’, vroeg ik Inge, ‘Dan huur je het van mij en kan je je eigen ideeën op de Bataaf loslaten’. Daar moest ze over nadenken maar ik zag aan haar gezichtsuitdrukking dat ze wel degelijk gecharmeerd was van het idee. Iedereen die in loondienst is denkt het beter te kunnen doen dan zijn of haar baas en zo iemand zegt nooit nee als diegene de kans krijgt eigen baas te worden. Als ze dit doet gaat zij in no time failliet, dacht ik, en kan ik het complex zonder de hoge kosten voor het ontslaan van het personeel doorverkopen aan mijn partner, die had overigens de tijd…

‘Ik denk erover na’, zei ze. ‘Fijn’, zie ik, ‘jij lijkt me een goede partner, dit wordt vast dit een mooie samenwerking! Ik stuur je een standaard exploitatie overeenkomst, kan je daar eens naar kijken!’. Na nog wat gekeuveld te hebben en een tweede kop koffie stapte ik op. Terwijl ik langs de cassière liep zag ik dat ze was verdiept in een stripverhaal van Dick Bos, grappig dacht ik, die heeft toevallig net als ik hier om de hoek op het Aloysius College gezeten dus zal hier vast wel eens geweest zijn.

Onderweg naar mijn volgende afspraak dacht ik er over na dat het wel jammer was dat ik uitgerekend met Inge te maken ga krijgen en dit haar aan ga doen, maar ja, je moet natuurlijk wel zakelijk blijven als investeerder, business is business!

Wat ben je aan het doen?

‘Wat ben je aan het doen?’ is de vraag die je ziet staan wanneer je iets wil toevoegen aan Facebook. Vreemd genoeg heeft deze sleutelzin, die aangeeft waarover Facebook ons vraagt met onze vrienden te communiceren,  per taal een andere betekenis. Zo komt de Duitse vraag overeen met de onze: ‘Was magst du gerade” hoewel de toevoeging ‘gerade’ meer specifiek is dan de onze die zonder tijdsbepaling een bredere strekking kan hebben.

Maar als je kijkt naar de Engelse openingsvraag ‘What’s on your mind’  gaat het niet meer om wat je doet maar om wat er omgaat in je hoofd, wat je bezig houdt, en in het Frans staat er zelfs ‘Exprimez-vous’ wat een nog bredere uitnodiging is jezelf te uiten en dat kan natuurlijk over van alles gaan.

Bij de Duitse en Nederlandse vraag staat dus het handelen centraal terwijl bij de bedenkers van Facebook in de US het gaat om wat je denkt, nogal een verschil qua invalshoek! Voor ons is het blijkbaar voldoende aan te geven dat we naar de film gaan terwijl voor een Amerikaan het  de bedoeling is uit te leggen waar je aan denkt als je van plan bent naar de film te gaan, wat je dacht toen je de film zag en hoe je de film achteraf vond.

Eigenlijk wel logisch want via WhatsApp, Instagram, en alle andere apps die gebruik maken van GPS weet Facebook allang waar we zijn en welke evenementen we bezoeken en is het dus veel interessanter voor Facebook te weten te komen wat we denken voordat we beslissen iets te doen, hoe we dat ervaren en achteraf waarderen. Marketing technisch belangrijke informatie die ons inzicht geven in bijvoorbeeld het koopgedrag van consumenten, onze tijdsbesteding en politieke voorkeur.

Vandaag publiceerde Facebook nieuwe kwartaalcijfers en voor het eerst in de geschiedenis blijkt dat het aantal bezoekers van Facebook langzaam terugloopt, maar daar heeft Mark Zuckerberg een goede verklaring voor. Zoals uit bovenstaande post blijkt denkt Mark’s brein dat Facebook niet alleen leuk moet zijn maar vooral goed voor het welzijn van iedereen en de samenleving in zijn algemeen met als belangrijkste doelstelling dat we de tijd die we op Facebook doorbrengen goed moeten besteden. Dus wil hij dat we allemaal niet meer naar onzin filmpjes kijken maar gaan werken aan het creëren van ‘betekenisvolle relaties’. Het lagere aantal bezoekers kan dan ook worden verklaard uit wijzigingen die Facebook al heeft geïmplementeerd waardoor wij nu al minder ‘Viral video’s’ te zien krijgen.

Dat willen we natuurlijk allemaal wel, ‘betekenisvolle relaties’, maar het is de vraag of Facebook wat dt betreft niet te ambitieus is. Door deze doelstelling begeeft Facebook zich op de markt van welzijn en geluk en ik moet er niet aan denken dat binnen Facebook in ene een scherm opduikt dat ik niet alleen vrienden heb maar ook betekenisvolle relaties met een aantal van hen en helaas een groot aantal anderen beter kan afvoeren omdat die waarschijnlijk gezien hun Facebook gebruik dat nooit zullen worden…

Niks helpt

Gisteren voor het eerst een Filosofisch Café bijgewoond georganiseerd door de ISVW in Leusden en daar een interview van Marthe Kerkwijk met Denker des Vaderlands René ten Bos bijgewoond. Een belezen man, die René ten Bos, tijdens het interview strooide hij met citaten van filosofen en verwees hij naar tal van boeken die mij als beginnend filosoof een leeslijst van jaren zouden opleveren, geen beginnen aan!

Tijdens het interview stonden zijn gedachten over het ‘Antropoceen’ tijdperk centraal, de periode waarin we nu leven en die, volgens René ten Bos, wordt gekenmerkt door het feit dat de mens steeds meer in staat is zijn natuurlijke leefomgeving naar eigen goeddunken in te richten terwijl dit op termijn ongewenste gevolgen heeft voor ons klimaat.Dit leidt tot een fundamentele desoriëntatie: sinds een tijdje weten we heel goed wat er aan de hand is met onze aarde en wat op termijn de effecten zijn, maar zijn we niet in staat vanuit een gemeenschappelijk gedeeld algemeen belang dit om te zetten in concrete acties. In plaats daarvan stellen we normen vast voor de lange termijn (klimaatakkoord Parijs) en gaan we gewoon door onze leefomgeving vanuit het oogpunt van korte termijn behoeftebevrediging te vervuilen: ‘we dwalen zonder te weten wat we met de aarde aan het doen zijn’.

Dit probleem kan je volgens hem niet oplossen door het wijzigen van individueel gedrag. Als je voor jezelf beslist voortaan vegetarisch te gaan eten, niet meer te gaan vliegen en je dak vol te gooien met zonnepanelen draagt dat niets bij aan de oplossing. Individueel handelen heeft totaal geen impact op ons ecologisch systeem en de klimaatontwikkeling, niets helpt dus. Dat kan alleen maar als we fundamenteel anders gaan denken over de relatie tussen de mens en natuur, zij staan niet los staan van elkaar zoals de achttiende eeuwse filosoof Immanuel Kant stelde. René ten Bos is het daar niet mee eens, zij beïnvloeden elkaar juist wederzijds omdat de mens zelf ook onderdeel is van de natuur.

Ter illustratie kwam hij met de vraag wat je moet doen wanneer je in de natuur verdwaald bent, daar heeft hij uitgebreid onderzoek naar gedaan. De algemene opvatting daarover is dat je dan het beste in één rechte lijn kan blijven doorlopen, uit onderzoek blijkt echter dat dat niet de meest effectieve strategie is. Beter is het eerst onder een boom te gaan zitten en goed te observeren wat je ziet: waar staat de zon, uit welke hoek komt de wind, hoe gedragen vogels zich, zijn er aanwijzingen te vinden, wat een goede route zou kunnen zijn etc.… Culturen zoals bijvoorbeeld de Masai in Afrika staan veel dichter bij de natuur en kunnen zonder kompas of GPS systeem de weg feilloos vinden. Door alle technische hulpmiddelen die we tegenwoordig hebben zijn wij steeds verder van de natuur af gaan staan en zijn we hopeloos verloren als onze mobiele telefoon het plots niet meer doet. En deze fundamentele kloof tussen natuur en cultuur wordt steeds groter zodat het steeds moeilijker wordt dit probleem op te lossen.

Twee jaar geleden heb ik in Tanzania vanaf de veranda van mijn lodge een dag met een verrekijker (sic!) zitten kijken wat er zo allemaal voor mijn ogen gebeurde. Je kon van onze veranda heel ver kijken tot aan Lake Manyara op zo’n 1,5 uur lopen afstand. En er was veel te zien: vogels, luchten, bootjes, dieren, kudden, honden, motoren, geuren en niet te vergeten het licht dat elk moment van de dag weer anders was. Naast de lodge woonden een aantal Masai. Je kon ze ‘s morgens in kleine groepjes samen met hun honden naar het meer zien lopen waar hun kudden vroeg in de ochtend en zonder begeleiding naar toe waren gelopen om water te gaan drinken.

Aan het eind van de ochtend gingen de Masai op pad om ze op te halen, een dagelijks terugkerend patroon. Met mijn verrekijker kon ik ze goed volgen en elke keer als ik ze opzocht waren ze weer een stuk verder. Het grappige was dat ‘lopen’ bij de Masai niet echt lopen is zoals wij dat doen: in één rechte lijn van a naar b lopen. Soms liepen ze een stuk hard, dan stopten ze even, gingen ze zitten of uit elkaar, en daarna weer stoeiend en speels verder.

Aangekomen bij de kudde duurde het wel drie uur voor ze de kudde bij elkaar hadden gedreven en even lang om die kudde weer naast onze lodge te krijgen. Een ritueel dat zich al eeuwenlang dagelijks herhaalt en waar geen technische hulpmiddelen aan te pas komen en waar ik geboeid naar zat te kijken.  Tot ik op de veranda naast ons in ene een grote groene boomslang zag liggen en snel de bewakers via de mobilofoon, die we van hen hadden gekregen, oppiepte om de slang weg te jagen. Het bleek een behoorlijk gevaarlijke exemplaar te zijn.

Mooi dat er nog culturen als de Masai die zo dicht bij de natuur staan, dacht ik toen. Totdat ik vanmorgen in een column van Sheila Sitalsing in de Volkskrant las dat de Masai wel degelijk van deze tijd zijn. In de Financial Times heeft afgelopen weekend een artikel gestaan dat de Masai vijf jaar geleden een organisatie hebben opgericht, de ‘Masai Intelectual Property Initiative Trust’, om hun cultureel erfgoed te beschermen en hun recht te halen bij de commerciële exploitatie daarvan. Volgens het artikel zouden de Masai honderden miljoenen aan royalties kunnen opeisen van bedrijven als Louis Vuitton die al jaren roodgeruite Masai sjaals en dekens in hun collectie hebben (zie bovenstaande foto, genomen bij Lake Manyara, ik ben de tweede van links). Ook de Masai kunnen dus niet ontkomen aan de onze Westerse, op economisch nut gebaseerde, principes. Niets is wat het lijkt.

Wellicht een beetje pessimistisch verhaal van René ten Bos maar ik ben het met hem eens dat je beter een pessimist kan zijn die af en toe verbaasd constateert dat iets werkt dan een optimist die steeds opnieuw constateert dat de dingen niet blijken te werken zoals verwacht …

Digitale levenskunst

Twee van de begrippen die tijdens mijn studie ‘Praktische filosofie‘ centraal staan zijn de begrippen ‘praktische wijsheid’ en ‘levenskunst’.

De Grieken maakten een onderscheid tussen ‘phronèsis‘, praktische wijsheid of verstandigheid, en ‘epistèmè’, kennis. Praktische wijsheid heeft betrekking op concrete situaties en hoe een verstandig iemand het best kan handelen in een concrete situatie, wat kan je dan het beste doen? Om goed te kunnen inschatten wat je het best kunt doen in een gegeven situatie heb je twee dingen nodig: onderscheidingsvermogen en zelfkennis. Onderscheidingvermogen is het vermogen goed te kunnen waarnemen en zelfkennis het vermogen om goed te kunnen inschatten wat het best bij jou past wanneer je iets moet doen. Anders dan algemene kennis is praktische wijsheid direct toepasbaar voor ons en geeft aan hoe we alledaagse situaties  kunnen inschatten en hoe we concreet in zo’n situatie kunnen handelen.

Bij ‘levenskunst’, het woord zegt het al, staat de vraag centraal hoe te leven, hoe kijken we tegen het leven aan en hoe zetten we dat om in praktisch handelen, voor veel filosofen in de oudheid het hoofdthema. Een goed voorbeeld hiervan zijn de overpeinzingen (ook wel meditaties genoemd) van Marcus Aurelius, de laatste verlichte keizer in Rome, die regeerde van 161 tot 180 AC. Hij schreef deze overpeinzingen In het Grieks onder de titel ‘Ta eis heauton’, wat ‘Aan mijzelf’ betekent. Het opschrijven van deze overpeinzingen was voor hem een manier om tot zelfkennis te komen en een middel tot zelfverbetering. Zijn werk is nog steeds goed leesbaar en wordt veel geciteerd en is voor velen een gids geweest met voorschriften voor hun praktisch handelen.

De praktische filosofie heeft dus als doel dat de filosofie niet alleen een louter theoretische exercitie is, maar tot praktische richtlijnen leidt om een gewenste levenshouding te bereiken. Als je weet hoe te handelen in een bepaalde situatie brengt dit minder ‘gedoe’ met zich meebrengt zoals de filosoof René Gude vlak voor zijn overlijden stelde. Volgens mij zijn veel mensen daar wel weer aan toe: praktische leefregels die werken en die het leven zelf aangenamer maken en goed zijn voor je gemoedsrust…

Om dit te onderzoeken heb ik, gedachtig de overpeinzing van Marcus Aurelius hierboven, de afgelopen weken bij mijzelf een test gedaan, het is immers de bedoeling dat zo’n cursus ‘Praktische filosofie‘ bij de ISVW ook nog wat oplevert! Hierbij de resultaten van mijn bevindingen ten aanzien van een onderwerp waar ik al eerder op deze blog geschreven heb zonder met een oplossing te komen: ons excessieve gebruik van het internet en de negatieve gevolgen daarvan.

Concrete situatie:

We zitten allemaal te veel achter onze laptops en mobieltjes. Zo langzamerhand is iedereen er wel van overtuigd dat dat naast positieve ook veel negatieve gevolgen heeft en dat we daar als samenleving niet beter van worden. Zo leidt excessief internet gebruik tot verslaving, concentratieproblemen, slaapgebrek, eenzaamheid etc..

Onderscheidingsvermogen:

Zelfs Apple ziet dit nu als een probleem en zoekt de oplossing in nieuwe apps die de toegankelijkheid van het Internet qua inhoud en duur beperken. Dit gaat volgens mij echter niet werken omdat het gebruik van het internet met gedrag te maken heeft en het wijzigen van ingesleten gedrag is niet zo eenvoudig. Daarbij zou het kunnen helpen om een aantal simpele richtlijnen op te stellen om het online gedrag verbeteren en die als leidraad te nemen bij het Internet gebruik.

Zelfkennis:

  • Ook ik spendeer teveel tijd online met zaken die eigenlijk onzin zijn;
  • Daardoor blijft er minder tijd over voor zaken die meer relevant zijn;
  • Tevens erger me vaak als ik online ben aan de grote aandacht die politici en opiniemakers krijgen die er ongenuanceerde meningen op na houden;
  • Ook stoor me aan het gebrek aan wetenschappelijke en journalistieke kwaliteit van wat er allemaal op het internet gepubliceerd en gepost.

Praktisch handelen:

  • Ik heb alle meldingen op mijn mobiele telefoon uitgezet zodat er niet steeds iets knippert of bromt en mijn aandacht wordt afgeleid van wat ik op dat moment aan het doen ben;
  • Ik heb een flink aantal apps op mijn mobiele telefoon verwijderd die ik ook op mijn laptop staan (LinkedIn, Facebook, Twitter, Instagram), die bekijk ik daar wel als het mij uitkomt;
  • Ik gebruik mijn smart phone alleen nog maar voor telefoon, sms en WhatsApp;
  • Ik heb iedereen waar ik me aan erger wegens ongenuanceerde meningen uit mijn social media verwijderd;
  • Ik neem mijn smart phone niet altijd overal meer mee naar toe.

Gemoedsrust:

Ik kom weer toe aan de (papieren) krant en dat is eigenlijk toch wel met stip mijn meest betrouwbare nieuwsbron. Vaak kwam ik er de laatste tijd niet aan toe die echt goed te lezen en met een dagelijkse frequency van het nieuws heb je eigenlijk wel genoeg informatie om op de hoogte te blijven van wat er allemaal gebeurd. Sterker nog: daardoor krijg je meer achtergrond informatie en een betere filtering van het nieuws dan via social media en online nieuwsmedia. Met medelijden kijk ik nu naar al die mensen die de hele tijd naar hun mobieltje staren en geen aandacht hebben voor wat er om zich heen gebeurd en ik erger me veel minder dan vroeger aan ongenuanceerde meningen. Als bijproduct van het verminderen van mijn internetgebruik zijn de meeste talkshows op de televisie in ene minder interessant geworden omdat die vaak een verlengstuk zijn geworden van social media en vaak onderwerpen behandelen die op het internet hypen. Tevens levert de opschoning op mijn mobiele telefoon een langere gebruiksduur op omdat het verwijderen van apps en uitzetten van meldingen de performance sterk doet verbeteren.

De praktische filosofie kan dus helpen door nieuwe inzichten te geven die leiden tot praktische richtlijnen die het leven zelf aangenamer maken en goed zijn voor je welzijn en gemoedsrust.

Naast bovenstaande case zijn er natuurlijk veel meer van dit soort cases te bedenken die kunnen leiden tot praktische richtlijnen voor de moderne mens die in een snel veranderende wereld naar houvast zoekt. Bij deze een eerste opzetje, een start is gemaakt!

Aanvulling 11 januari 2018.

Kreeg de vraag binnen van Els Beijderwellen wat de vertaling is van de quote van Marcus Aurelius hierboven, leuke uitdaging! Eerst maar even door Google translate gehaald:

‘Laat het je constante methode zijn om te kijken naar het ontwerp van de acties van mensen en te zien waar ze zouden zijn, zo vaak als het praktisch uitvoerbaar is; en om deze gewoonte des te belangrijker te maken, oefen het eerst op jezelf.’

Beetje onduidelijk vertaling, die vertaalprogramma’s hebben zo hun beperkingen, dan maar zelf een poging waarbij ik de vrijheid heb genomen mijn eigen interpretatie erin te verwerken:

‘Onderzoek steeds opnieuw wat iemand zegt van plan te zijn te gaan doen en wat hij/zij feitelijk doet en doe dit zo vaak mogelijk; nog beter, onderzoek dit eerst bij jezelf.’

Socrates zei het al: probeer jezelf zo kort en bondig mogelijk uit te drukken! Als iemand een betere vertaling heeft hoor ik het graag…

De hybride docent

Soms ben je iets zonder dat je het zelf in de gaten hebt.

Zo was ik destijds al jaren bezig verkoop informatie systemen in bedrijven te implementeren en kwam ik er achteraf pas achter dat ik eigenlijk heel hip met CRM bezig was. De toekomst haalt je in en drukt een stempel op het verleden. Die ervaring had ik ook afgelopen maandag toen ik op een congres in Utrecht was over het hybride docentschap toen ik er achter kwam ik dit de laatste vier jaar werkzaam te zijn geweest als docent op een HBO terwijl ik dit combineerde met andere projecten…

Een hybride docent is dus iemand die parttime docent is en daarnaast nog ander werk heeft. Op dit congres, georganiseerd door het Hybride Docent initiatief, bleek dat er veel belangstelling is voor het combineren van onderwijs met ander werk omdat dit voor alle betrokken partijen veel voordelen oplevert. Voor de docent omdat hij meer afwisselend werk heeft, voor het onderwijs omdat er zo meer praktijk docenten beschikbaar komen, voor het bedrijfsleven omdat ze kunnen profiteren van de kennis van docenten en invloed kunnen uitoefenen op het onderwijs curriculum en, last but not least, voor de leerling/student omdat er iemand voor de klas staat die recente praktijkervaring de klas mee inneemt.

Tijdens de sessie in Utrecht bleek dat ondanks al deze voordelen er toch een aantal belemmering zijn die het niet makkelijk maken voor de hybride docent en de belangrijkste die naar voren kwam is die van de noodzakelijke onderwijsbevoegdheid. Lange tijd konden praktijk docenten zonder officiële bevoegdheid voor de klas staan maar daar is recent verandering in gekomen omdat er vanuit het ministerie van onderwijs eisen worden gesteld aan de bevoegdheid zoals het minimaal het onderwijs niveau hebben op het niveau waarop je les geeft en een aanvullende onderwijs bevoegdheid, als je die niet hebt kost het je minimaal anderhalf jaar dit te halen.

Dat is een behoorlijke investering voor een parttime baan en dan moet je als hoogopgeleide wiskundige of bedrijfskundige met een staat van dienst in het bedrijfsleven of instelling wel erg gemotiveerd zijn voor het salaris van een parttime docent aan de slag te gaan. Toch zijn die mensen er en ik sprak er een aantal in Utrecht die erg gefrustreerd waren niet aan de slag te kunnen gezien het ontbreken van de vereiste bevoegdheden. Gelukkig haken een aantal onderwijsinstellingen hierop in, zo werkt de Hogeschool Utrecht momenteel aan een verkorte didactische opleiding, een mooi initiatief!

Naast ambitieuse hybride docenten en onderwijsinstellingen waren er in Utrecht ook werkgevers en ik sprak er een directeur van een bedrijf die er ronduit voor uitkwam een aantal oudere werknemers in dienst te hebben waar hij vanaf wilde en die wellicht als hybride docent aan de slag konden. Wat is er mooier dan aan het eind van je carrière je kennis over te brengen op de jeugd? was zijn motto. Toen ik daarna met iemand van een ROC sprak vertelde ze daar niet zo blij mee te zijn omdat het immers niet de beste werknemers zijn die via dit soort programma’s worden aangeboden. Het onderwijs heeft behoefte aan de beste mensen en niet de oude knarren die overblijven bij een reorganisatie, niet zelfredzaam zijn en moeten worden geholpen aan een baantje. Het hybride docentschap moet dus niet worden misbruikt om op een makkelijke manier van werknemers af te komen zodat ze, zonder gekwalificeerd te zijn, aan de slag kunnen als docent.

Toch is de relatie onderwijs – bedrijfsleven vanuit dit perspectief een interessante en breder dan alleen het docentschap en heeft het voordelen voor beide. Brenda Vermeeren (Hybride Docent Erasmus Universiteit & ICTU) ging tijdens de bijeenkomst in op de AMO-theorie die de grondslag vormt van het moderne strategische HRM beleid van organisaties. Voor bedrijven geldt dat zij voordeel kunnen hebben bij samenwerking omdat zij ervoor moeten zorgen dat hun werknemers over de benodigde kennis en vaardigheden beschikken om voorop te blijven lopen, daarbij kan het onderwijs een grote rol spelen.  Waarom docenten uit het onderwijs niet hybride inzetten op hun interne opleidingsprogramma’s?  Voor het onderwijs geldt dat zij door samenwerking met bedrijven een beter zicht krijgen op de benodigde competenties die hun studenten nodig hebben als ze gaan werken, het verkrijgen van stageplaatsen en praktijk cases die in het onderwijs door docenten gebruikt kunnen worden. En waarom docenten niet af en toe een weekje in bedrijven laten meelopen?

Steven Gudde (Hybride docent HvA en werkzaam voor Olympia) vertelde tijdens de bijeenkomst in Utrecht dat de onderwijs markt momenteel wordt gekenmerkt door schaarste, flexibilisering, snelle technologisch ontwikkeling en polarisatie. Deze trends gelden natuurlijk ook voor bedrijven die zich continu moeten blijven vernieuwen en het potentieel van hun werknemers moeten aanwenden om zich continu te blijven ontwikkelen, dat wil en eist de moderne werknemer zelf overigens ook van een moderne werkgever in dit flex tijdperk. Daar liggen dus veel mooie nieuwe uitdagingen voor onderwijsinstellingen die volgens mijn dus innovatiever op dit soort ontwikkelingen moeten inspelen. Bijvoorbeeld: veel bedrijven zullen de komende jaren afscheid gaan nemen van hun oudere werknemers die jarenlang de kennis dragers binnen hun bedrijf waren. Hoe zorg je er dan voor dat al die kennis die daar zit en vaak niet vastgelegd is, laat staan geborgd, ook beschikbaar blijft voor de organisatie? Een mooie uitdaging voor zowel onderwijs als bedrijven lijkt mij.

Hybride docenten die met één been in het onderwijs en met het andere in de praktijk zijn dan bij uitstek geschikt een brug te slaan tussen onderwijs en praktijk. Het is dan ook mooi tijdens deze bijeenkomst te zien dat daar aan gewerkt wordt! Een goed initiatief dus dit evenement van de Hybride Docent!

Blijft de vraag staan wat ik nu aan het doen ben maar daar kom ik ooit nog wel eens achter…

Schaken en Algoritmes

Vanaf het moment dat de computer werd uitgevonden hebben mensen geprobeerd computerprogramma’s te ontwikkelen die het konden opnemen tegen de mens.

De eerste die een artikel publiceerde over computerschaak was Claude Shannon die in 1950 het artikel “Programming a Computer for Playing Chess” publiceerde, een jaar daarop publiceerde Alan Turing, op papier, het eerste computer programma. Op basis van hiervan schreef zijn collega Dietrich Prinz in 1951 het eerste, echt werkende schaakprogramma op een Ferranti Mark I computer van de Universiteit van Manchester, dit programma was nog niet in staat een volledige partij uit te spelen. Het duurde nog tot 1958 tot een Alex Bernstein van IBM het eerste  programma voor een IBM 704 mainframe schreef waarmee een volledige partij kon worden gespeeld.

Eind jaren 70 verschenen de eerste schaakcomputers voor thuisgebruik in de winkels. Zelf heb ik begin jaren tachtig nog geschaakt op de Sinclair ZX81 van mijn broer met het programma 1K ZX Chess wat toen het eerste programme was dat ik gebruikte op de computer. Sindsdien zijn er vele schaakcomputers ontwikkeld en werden vanaf 1980 jaarlijks de Micro Schaakcomputer Wereldkampioenschappen (WMCCC) georganiseerd om te bepalen welke schaakcomputer de beste ter wereld was, vanaf 1990 werd hierbij alleen nog maar gebruikgemaakt van PC’s.

In 1996 was de schaakcomputer Deep Blue de eerste die in een tweekamp tegen de regerend wereldkampioen Garri Kasparov met een 4-2-voorsprong won waarvan één partij winnend: de computer had de mens verslagen en vanaf dat moment stond niet meer de vraag centraal of de computer van de mens kon winnen bij het schaken maar welke computer het beste kon schaken.

Daar is dan nu weer een nieuwe ontwikkeling bij gekomen nu de kunstmatige intelligentie bij het schaken zijn intrede heeft gedaan en het programma AlphaZero, ontwikkeld door Google-dochter Deep Mind, onlangs het op dit moment beste schaakprogramma Stockfisch versloeg. Wat AlphaZero uniek maakt is dat deze software gebruik maakt van een algoritme dat, op basis van kennis van de schaakspelregels, zichzelf leert schaken. AlphaZero had vier uur nodig om het schaken te leren en daarmee de beste te worden en heeft inmiddels hetzelfde gedaan voor het spel Go en de Japanse schaakvariant Shogi.

Eén algoritme dus die zelf schaakprogramma’s schrijft en dus generaties computer-programmeurs overbodig maakt die bezig zijn geweest het beste schaakprogramma te schrijven. De vraag is dus nu niet meer ‘Wie schrijft het beste schaakprogramma” maar “Wie schrijft het beste spel algoritme”. Google kondigde overigens tegelijkertijd aan dat hun ‘Brain team’ bezig is een algoritme te ontwikkelen dat zelf artificial Intelligence bouwt.

Het gaat dus allemaal om algoritmes tegenwoordig die het programmeren van software overbodig maken. Dachten we tot voor kort dat er altijd wel behoefte zal zijn aan software programmeurs dan lijkt het er nu op dat maar een beperkt aantal slimme programmeurs aan algoritmes sleutelt waardoor veel programmeurs overbodig worden. Google ontwikkelt haar algoritmes overigens als zgn. open software zodat ook andere, niet Google medewerkers, in staat zijn mee te werken en kunnen profiteren van dit soort ontwikkelingen en dat is dan weer mooi!

Het begrip algoritme is vernoemd naar de Perzische wiskundige Mohammed ibn Moesa al-Chwarizmi  (op de postzegel) die dit begrip voor het eerst bedacht. Een algoritme wordt door hem gedefinieerd als een eindige reeks instructies die vanuit een gegeven begintoestand naar een beoogd doel leidt.

Op 30 november 2017 was ik op een bijeenkomst in Utrecht georganiseerd door Gemeas Patents en B-GRIP een informatiemiddag over Intellectueel Eigendom (IE) en vroeg toen aan een in IP gespecialiseerde advocaat  Bert-Jan van den Akker van Doen Legal uit Zeist of je ook IP kunt hebben op een algoritme. Dat kan volgens hem niet niet omdat een algoritme een algemeen goed is net als een wiskundige formule of de chemische samenstelling van een stof.

Hier kreeg ik later, naar aanleiding van deze blog, een aanvulling op van ir. Arjan van der Maarl, Dutch and European Patent Attorney werkzaam bij Gemeas Patents, eveneens aanwezig op deze bijeenkomst. Volgens hem zijn, met betrekking tot het intellectuele eigendom van algoritmes inderdaad uitgesloten, echter ze zijn slechts uitgesloten als zodanig. De historische reden hiervoor is dat algoritmen vaak een wiskundig principe beschrijven en daarmee een te breed uitsluitend recht geven aan de aanvrager ten opzichte van de wetenschappelijke/technologische vooruitgang geboden door het algoritme. Kortom: een octrooirecht zou de technologische vooruitgang meer remmen dan bevorderen.

Ondanks dat algoritmen zijn uitgesloten als zodanig is de toepassingen van een algoritme dat een technisch effect heeft wel octrooieerbaar. Van ir. Arjan van der Maarl kreeg ik een een concreet voorbeeld van een octrooieerbaar algoritme toegestuurd waarin een formule zit verwerkt (en waarvan hij mij toestemming gaf dit hier te publiceren):

Werkwijze voor het meten van de hoogte van een kerktoren, waarbij de werkwijze de stappen omvat van:

  1. het selecteren van een meetpunt ten opzichte van de kerktoren, waarbij het meetpunt op de grond gelegen is;
  2. het bepalen van de afstand b van het meetpunt tot de kerktoren;
  3. het bepalen voor het meetpunt van de hoek alfa tussen de grond en het hoogste punt van de kerktoren;
  4. en het berekenen van de hoogte a van de kerktoren door het toepassen van de formule a = b x tan alfa.

Kortom: een algoritme als zodanig is niet octrooieerbaar, maar een toepassing van een algoritme met een technisch effect is wel octrooieerbaar.

Een helder voorbeeld maar waarschijnlijk een heel gepuzzel als het gaat om ingewikkelde en complexe algoritmes.  Bedrijven, die hun zelf ontwikkelde algoritmes willen beschermen, zullen daar specialistische juridische kennis voor in huis zullen moeten gaan halen, een lucratieve nieuwe business lijkt me.

Al met al een interessante ontwikkeling rond die algoritmes, wel doemt er bij mij  een nieuwe vraag op voor de algoritme ontwikkelaars: ‘Is er een schaakprogramma mogelijk, gegenereerd door een algoritme, dat niet verbeterd kan worden?’ Waarna natuurlijk de vraag volgt: ‘Kan er een algoritme ontwikkeld worden dat niet verbeterd kan worden?’ En uiteindelijk: ‘Is er één algoritme mogelijk dat alle algoritmes overbodig maakt en niet verbeterd kan worden?’ Als we deze laatste vraag hebben beantwoord kan het ‘BrainTeam’ van Google worden opgeheven en krijgt ons eigen brein de instructie voortaan alleen nog maar met plezierige emoties bezig te zijn…

Met dank aan ir. Arjan van der Maarl voor zijn input!

Vrijheid van meningsuiting

Een tijd terug was ik in het Groninger Museum voor een tentoonstelling ‘Student in Groningen 1614-2014’. Omdat ik zelf in Groningen gestudeerd heb was ik natuurlijk met name geïnteresseerd in de periode 1968 – 1980, de periode tussen de studentenopstanden aan  universiteiten over de hele wereld waarbij zij massaal in verzet kwamen tegen de toenmalige elite en meer inspraak eisten en de periode dat ik zelf in Groningen economie studeerde.

Wat mij opviel aan deze tentoonstelling is de continue historische lijn van het succes van de studenten corpora als dominante factor binnen het studentenleven en het kleine intermezzo van eind jaren zestig tot begin jaren tachtig dat wordt gekenmerkt door turbulentie en grote veranderingen. Welgeteld één wandje was volgeplakt met foto’s over acties in die tijd waarna de tentoonstelling weer vrolijk verder ging over Vindicat, ontgroeningen en andere studenten rituelen die nu nog steeds het nieuws halen.

Dus tijdens die 400 jaar zijn de roerige jaren zestig maar een klein intermezzo van 15 jaar geweest waarin studenten streden om meer zeggenschap en en toegang tot het onderwijs voor iedereen. Ik heb zelf in die tijd, na mijn switch naar Utrecht daar in de faculteitsraad Sociale Wetenschappen gezeten waar mijn stem evenveel waard was als die van de professoren en wetenschappelijk medewerkers. Ik zat toen in de faculteitsraad met de spraakmakende psycholoog professor Piet Vroon die deze inspraak maar niks vond en dat leverde interessante discussies in de faculteitsraad op.

Ik was in die tijd meer bezig met dit soort zaken dan met mijn studie zelf en hoefde als student alleen collegegeld te betalen om te kunnen studeren (500 gulden geloof ik) en dan kreeg ik een studiebeurs, mijn studievoortgang werd toen niet gecontroleerd. In die periode werd het hoger onderwijs voor het eerst breed toegankelijk voor velen en daar heb ik toen van kunnen profiteren: mijn ouders hadden beide niet gestudeerd en ik behoorde tot de eerste generatie van mijn familie die toegang kreeg tot het wetenschappelijk onderwijs.

Dat is tegenwoordig allemaal anders. Studiefinanciering is er nog wel maar niet meer als beurs maar als lening en alleen als je genoeg studiepunten hebt mag je verder. Het overstappen van de ene studie kan wel maar kan consequenties hebben voor je studiefinanciering en de hoogte van het collegegeld etc.. Door al deze beperkingen is studeren dus niet meer zo vanzelfsprekend als in mijn tijd.

Tijdens die tentoonstelling in Groningen realiseerde ik me dat de democratiseringsbeweging van 1968 dus maar heel beperkte invloed heeft gehad. Ik geloofde destijds democratisering een onomkeerbaar proces was en dat de dingen die we realiseerden niet meer terug gedraaid konden worden.

Ik moest hier aan denken toen ik in de Volkskrant vanmorgen, 5 december 2917, een artikel las over de vrijheid van meningsuiting, religiekritiek en het opkomen voor humanistische waarden. De Internationale Humanistische en Ethische Unie (IHUE) heeft een rapport gepubliceerd, het Freedom of Thought Report 2017, en daaruit blijkt dat het geweld tegen ongelovigen, agnosten en vrijdenkers extremer wordt en dat deze ongelovige steeds feller worden gediscrimineerd, vervolgd of zelfs gedood. Zo is in Pakistan de student Mashal Khan onlangs doodgeslagen door een groep woedende studenten omdat hij zich op Facebook humanist had genoemd.

In ons land zijn er, volgens recent onderzoek, meer atheïsten dan gelovigen en daarom doen we het waarschijnlijk beter dan andere landen wat betreft de vrijheid van meningsuiting. Toch moeten we waakzaam zijn, ook hier hebben afvallige moslims die zich afwenden van de Islam het moeilijk zoals blijkt uit een onderzoek van Gert Jan Geling, docent aan de Haagse Hoge School volgens hetzelfde artikel in de Volkskrant.

En het zijn niet alleen religieuze redenen die de vrijheid van meningsuiting beperken. Neem bijvoorbeeld het recente voorbeeld van de Amerikaanse Juli Briskman die recentelijk onder het fietsen haar middelvinger opstak naar een konvooi dat de president vervoerde. De reden waarom ze dit deed was dat ze boos is op het politieke klimaat in de VS: ‘Dit was een mogelijkheid er iets van te zeggen.’. Een foto van dit  voorval ging al snel rond op het internet en een dag later werd ze ontslagen door het bedrijf waarvoor ze werkte Akima LLC. 

Als reden voor haar ontslag gebruikte haar werkgever het argument dat Briskman deze foto als profielfoto op social media had gebruikt en dat ze daarmee het social mediabeleid van het bedrijf overtrad. Pas maar op dus, protesteren tegen de overheid kan je dat dus je baan kosten in het land waar de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst in de grondwet staan.

Het vooruitgangsgeloof dat wij hadden in de jaren zestig en de verwachting dat alles als maar beter zou worden is dus een verschijnsel van voorbijgaande aard geweest. Uit het rapport van de IHUE blijkt dat de vrijheid van meningsuiting wereldwijd flink onder druk staat en vrijdenkers in veel landen op hun tellen moeten passen.

Blijven schrijven dus maar… 

De Blogger

Het begint meestal ’s nachts als waken overgaat in slapen en er langzaam een idee in je hoofd opkomt. Meestal komt er dan een droom die dit idee verdringt zodat ik mij de volgende ochtend niets meer van dit idee kan herinneren, heel af en toe ontwikkelt het zich ‘s nachts in iets meer dan dat en ontstaan de contouren van een verhaal en het verlangen dat te schrijven.

Van bed naar schrijfmachine en voorzien van een espresso verschijnen al gauw de eerste letters op het scherm, elk begin is goed, elke correctie beter en elke zin voldoet zolang geen betere gevonden, hoewel ik weet dat die er altijd is. Plots gaat alles vanzelf: het verhaal neemt mij over en ik kan niet anders dan regels samenrijgen tot iets wat geschreven moet worden, kop, midden, staart, grap, vondst, volgorde, ritme, overgang en dan als hoogtepunt de onvermijdelijke uitsmijter.

Dan laat ik het liggen, ga ik weg, kom ik terug, schrap en vul aan waar iets ontbreekt, het rijpt en wordt beter. Dan is het af en met een druk op de knop gaat het de digitale ruimte in en wordt het alleen nog maar door bots gelezen.

Stoïcijns Coachen.

Gisteren waren er drie ondernemers aan het woord bij Pauw  die vertelden over de periode dat het slecht ging met hun bedrijf. Alle drie deze ondernemers, top kok Ron Blauw, ‘Miljonair Fair’ Yves Gijrath en Marlies Dekkers van de lingerielijn, zijn tijdens economische crisis van 2008 met hun bedrijf failliet gegaan. Wat ze gemeen hebben is dat hun ondernemingen zich richten op het luxere segment waardoor ze meer last hebben van de conjunctuur dan bedrijven die zich richten op meer primaire levensbehoeften. Op het moment dat het slecht ging hadden ze dus kunnen weten dat hun markt zou gaan veranderen en dat doorgaan op de huidige wijze geen optie was.

Ondernemers praten niet graag over hun mislukkingen maar praten liever over hun successen, dat ligt nu eenmaal in de aard van het beestje. Praten over je zakelijke tegenslagen is daarom taboe als het ondernemersbloed in je DNA zit: als ondernemer moet je in je bedrijf geloven en daarom moet in je eigen talent geloven en vooral veel zelfvertrouwen uitstralen.

En als dan plots de markt verandert, je omzet terugloopt en alles wat je ook probeert om je business weer een impuls te geven niet helpt, dan is dat niet goed voor je zelfvertrouwen en ga je twijfelen aan jezelf. Ron Blauw, met twee Michelin sterren een gevierd culinair ondernemer, vertelde in Pauw dat hij zich naar zijn personeel toe schaamde voor zijn bedrijf en zich een ‘looser’ voelde. Hij ging twijfelen aan zijn eigen talent en ging, wanneer zijn restaurant maar voor een kwart gevuld was, op zijn scooter bij andere restaurants naar de bezetting kijken om maar vooral het gevoel te hebben dat het niet aan hem lag maar dat de hele horeca last had van de crisis, dat geeft dan troost.

Marlies Dekker heeft dit ook meegemaakt. Haar talent ligt met name in het ontwerpen en opbouwen van haar lingerielijn en toen haar business niet meer goed ging hielp volges haar niets meer om het tij te keren. Dat geeft een gevoel van angst en verlamming, vertelde ze. Was ze tijdens de opbouwfase van haar bedrijf altijd ‘in control’, toen het tijd werd voor crisismanagement bleek dat ze de ondernemingskwaliteiten voor deze fase niet bezat.

Alle drie de ondernemers adviseren bedrijven die iets soortgelijk meemaken een goede adviseur in te huren die verstand heeft van de materie om je door deze moeilijke fase heen helpen. Als het slecht gaat met je bedrijf kom je als ondernemer in een andere wereld terecht. De bank, die altijd zo meewerkte, is in ene niet meer zo hulpvaardig en trekt zijn krediet in, voorheen trouwe medewerkers verlaten het zinkend schip, zakelijke vrienden blijken niet echt vrienden te zijn en voor je het weet zit je je verdiepen in de kleine lettertjes van contracten en krijg je te maken met schuldeisers en de fiscus.

In Pauw werd aandacht besteed aan de Come-Back lijn van de Kamer van Koophandel speciaal voor ondernemers in de problemen (0800-1014), volgens de KvK hebben momenteel een op de tien ondernemers last van zware economische tegenslag. Er zijn meer initiatieven op dit vlak zoals bijvoorbeeld de Stichting Over Rood waar ik zelf als ondernemingscoach bij aangesloten ben. Deze stichting ondersteund ondernemers die in de problemen komen door ze te helpen wegwijs te worden in de wereld waarin je terecht komt als het slecht gaat met je bedrijf. Over Rood begeleidt ondernemers bij een onvermijdelijke bedrijfsbeëindiging of potentiele doorstart. Overigens gaat het bij Over Rood vaak om ZZP’ers die er over het algemeen slechter af toe zijn als ondernemers met een BV vanwege de persoonlijke aansprakelijkheid. In veel gezinnen spelen zich wat dit  betreft veel persoonlijke drama’s af van ZZP’ers die geen recht hebben op een uitkering en de touwtjes aan elkaar moeten knopen.

Als ondernemingscoach die zich richt op bedrijven of ZZP’ers krijg je dus te maken met ondernemers die een deuk in hun zelfvertrouwen hebben gekregen en hulp zoeken. Hen begeleiden vraagt een ander coaching concept dan het traditionele dat zich richt op de persoonlijke ontwikkeling van de gecoachte zodat die weer optimaal kan functioneren in een organisatie. Bij dit coaching concept draait het om de drie P’s: potentie, passie en presteren centraal staan.

Het coachen van ondernemers die net de tragiek van het mislukken van hun business hebben ervaren vraagt om een heel andere benadering. Hier moet worden gewerkt aan herstel van zelfvertrouwen, het wegnemen van het gevoel van angst en verlamming, het realiseren van een nieuwe gevoelsbasis om weer te gaan presteren en het opnieuw ontwikkelen van daadkracht en het weer onafhankelijk kunnen functioneren.

Ik heb deze maand bij de ISVW college gehad van Ronald Wolbrink over ‘Stoicijns coachen’ en hij stelt dat volgens de stoïcijnse filosofie omgaan met tegenspoed alleen kan als de andere kant van de medaille, de vanzelfsprekendheid van succes door te presteren, fundamenteel ter discussie wordt gesteld. Ronald Wolbrink benoemt een artikel over ‘Stoicijns coachen’ noemt Ronald een aantal werkprincipes voor deze vorm van coachen die afwijken van de traditionele vorm van coachen.

Hieronder een vertaling van zijn werkprincipes naar het coachen van ondernemers die weer willen opkrabbelen na een een potentieel failissement op basis van mijn ervaringen als ondernemingscoach:

  1. Een vrije ruimte creëren.

Voordat de coaching start is het van belang een vertrouwde veilige ruimte te creëren voor de gecoachte ondernemer waarin hij zich vrij voelt samen met zijn coach een nieuwe basis te leggen voor een doorstart van zijn onderneming vrij van belemmeringen. Daarbij is het van belang dat de gecoachte ondernemer inzicht krijgt in de coaching methodiek en de stappen van het begeleidingsproces dat hem te wachten staat vastgelegd in een coaching protocol.

  1. Bewustzijn van de eigen invloedsfeer.

Wat bevindt zich wel en wat niet binnen je invloedssfeer? Als de zaken goed gaan werkt alles mee en wanneer de omstandigheden veranderen dringt zich een nieuwe werkelijkheid op waarbinnen je opnieuw moet gaan presteren. Waar kan je invloed op uit oefenen en waarop niet? Als je je bewust bent van je eigen invloedssfeer ben je beter in staat onderscheid te maken tussen zaken die je kan beïnvloeden en zaken die nu eenmaal zo zijn en niet kunt veranderen.

  1. Onafhankelijkheid stimuleren.

Als je succes afhankelijk is van zaken die je niet kan veranderen dan liggen stress en angst op de loer. Focus op wat binnen je invloedsfeer ligt en weer verantwoordelijkheid nemen voor je eigen presteren geeft je een gevoel van vrijheid en onafhankelijkheid waardoor belemmeringen wegvallen. Overigens kan het ook een gevoel van onafhankelijkheid geven als je in deze fase de conclusie trekt dat doorgaan met je business geen zin heeft maar dat is dan niet gebaseerd op je emoties maar een zakelijke afweging dat je geen vrijheid hebt binnen deze context succesvol te presteren.

  1. Beheerst omgaan met emoties.

Wanneer je weet wat je kan bereiken binnen je eigen invloedsfeer kan je weer grip krijgen op je onderneming. Daar waar eerst de nadruk lag op het kunnen omgaan met tegenspoed is het nu zaak weer in controle te zijn en beheerst om te gaan met je emoties. Het maken van een plan kan daarbij helpen en weer richting geven aan je activiteiten. Het is van belang dat je weer leert op een beheerste manier met emoties om te gaan.

  1. Een innerlijk kompas ontwikkelen.

Toen de zaken niet goed gingen liepen de emoties waarschijnlijk hoog op, nam je zelfvertrouwen af en ging je twijfelen aan je talent. Die bagage neem je natuurlijk mee naar een doorstart of de opbouwfase van een nieuw bedrijf waarbij je ervoor moet zorgen dat je een nieuw innerlijk kompas ontwikkeld op basis waarvan je weer verder kunt. Wat zijn de nieuwe leefregels die je wilt toepassen in je ondernemingspraktijk? Wat zijn de nieuwe uitgangspunten op basis waarvan je je bedrijf wilt managen?

  1. Zelfonderzoek stimuleren.

Neem af en toe de tijd voor reflectie en zelfonderzoek of je feitelijke handelen in overeenstemming is met de leefregels van je innerlijke kompas. Dit zal je sterker maken als ondernemer en beter in staat nieuwe uitdagingen aan te gaan.

  1. (Moreel) argumenteren en correct redeneren stimuleren.

Correct argumenteren en redeneren is niet makkelijk. Soms gaan we er te makkelijk vanuit dat een bepaalde bewering klopt terwijl achteraf blijkt dat de zaken toch anders lagen. Aan de coach dan ook de taak tijdens het coachen de gecoachte te wijzen op slordig denken, drogredenen en onlogische redeneringen. Om die reden is het sowieso nuttig als een ondernemer kritische mensen om zich heen verzamelt die hem scherp houden.

  1. Gemoedsrust vasthouden.

Bij Pauw gaf Marlies Dekkers aan ondernemers in de problemen het advies vooral ook goed voor je zelf te zorgen, eet goed, sport en relax, kortom: ‘Wees goed voor jezelf’. Tevens is het belangrijk je goed voor te bereiden op eventuele nieuwe tegenslag, je hebt dit immers al een keer meegemaakt dus probeer ook na te denken wat je zou doen als het tegenzit en bega niet de vergissing steeds van het meest positieve scenario uit te gaan.

  1. Eigenaarschap hernemen.

Het uiteindelijke doel van dit coaching proces is dat de ondernemer het eigenaarschap van zijn onderneming herneemt en geen coach meer nodig heeft en vol zelfvertrouwen verder gaat. De rol van de coach is uitgespeeld en indien verdere betrokkenheid nodig is kan dat alleen vanuit een nieuwe rol.

Het gaat bij ondernemingscoaching dus niet alleen over een financieel advies of het maken van een business case maar ook om het herstellen het van vertrouwen en geloof in het eigen talent.

Wil je daar meer over wilt weten neem dan contact met mij op =>