Pijnpunten in de samenleving

Afgelopen zondag, 11 november 2018, was er bij Buitenhof een debat tussen de Vlaamse schrijfster en columnist Dalilla Hermans en de socioloog en publicist Herman Vuijsje naar aanleiding van het verschijnen van zijn boek Zwartkijkers. Daarin stelt Vuijsje dat er sprake is van overdrijving en generalisering als het gaat om het verschil tussen zwart en wit, met andere woorden: de mensen die de tegenstelling zwart-wit benadrukken zijn zwartkijkers.

Je weet van te voren als je naar zo’n debat gaat kijken dat de emoties hoog kunnen oplopen, zeker als er twee mensen aan tafel zitten die een uitgesproken mening hebben over racisme, kolonialisme, zwarte piet, witte mannen en schrikgodinnen. Blijkbaar raken deze onderwerpen een open zenuw in de samenleving en is een ontspannen discussie op basis van argumenten moeilijk. Sterker nog, veel mensen gaan om die reden een debat juist uit de weg omdat dit felle reacties kan uitlokken. Overigens wil ik de ervaringen van Dalilla Hermans niet bagataliseren, als je zelf onderwerp bent van discriminatie komt dat hard aan en dat is natuurlijk verwerpelijk.

Kern van het betoog van Herman Vuijsje bij Buitenhof is echter dat hij als socioloog volgens de klassieke sociologische methode (literatuuronderzoek en bestuderen van beschikbare bronnen) onderzoek heeft gedaan naar racisme en heeft geconstateerd dat Nederland het land is met het minste racisme ter wereld. Vuijsje is dus eigenlijk een witkijker die vindt dat het met het racisme in Nederland wel meevalt. De zwartkijkers zijn het daar niet mee eens baseren hun mening met name op persoonlijke ervaringen, die weliswaar voor die personen reëel zijn, maar niet representatief voor de situatie in Nederland. Dalilla Hermans bewees zijn stelling door het steeds te hebben over ‘dingen die ik effectief heb meegemaakt’ waarbij de Vlaamse overigens toegaf geen kennis te hebben van de Nederlandse situatie.

Niet echt een wetenschappelijk methode, het generaliseren vanuit persoonlijke ervaringen en een dappere poging van Herman Vuijsje dit aan te kaarten en de uitkomsten van zijn sociologisch onderzoek daar tegenover te stellen. Hij pleit, op basis van zijn conclusie dat het met het racisme in Nederland wel meevalt, voor een meer ontspannen debat over dit onderwerp op basis waarvan we als samenleving kunnen leren en dat handvaten oplevert voor het formuleren van beleid en het nemen van doeltreffende maatregelen om racisme te voorkomen.

Vanuit deze invalshoek was het daarom Interessant dit weekend een interview van Bas Heijne te lezen met de Franse sociologe Nathalie Heinich, ‘Geen identiteit zonder identiteitscrisis’ , naar aanleiding van haar essay ‘Ce que n’est pas l’identité’, NRC 10 november 2018. Volgens Nathalie Heinich kan de sociologie helderheid brengen in het maatschappelijk debat door het toepassen van de sociologische methode en een zo neutraal mogelijke analyse van de begrippen die het debat beheersen. De hedendaagse sociologische debat wordt volgens haar gekolonialiseerd door een discours dat alles in termen van dominantie en onderdrukking ziet en zij pleit dan ook, conform de opvatting van de socioloog Max Weber, voor een neutrale houding ten opzicht van het object van onderzoek.

Haar object van onderzoek is daarom niet dominantie en onderdrukking maar identiteit. Dit begrip kent volgens haar drie dimensies: hoe zie je jezelf, hoe presenteer je jezelf naar buiten, en hoe wordt je van buitenaf gezien. Wanneer de discrepantie tussen deze elementen te groot wordt, ontstaat een identiteitscrisis.  

‘Als je honderd jaar geleden een klein plaatsje woonde, waar je steeds dezelfde mensen zag, waar relaties nauwelijks veranderden en het buitenland ver weg was, dan hield je je nauwelijks met identiteit bezig. De crisis begint wanneer je vreemden tegenover je vindt en je afvraagt wat die van je vinden. Je gaat jezelf steeds met andere vergelijken. Ik vermoed dat dat constante vergelijken van jezelf met anderen, op alle fronten, een van de redenen zou kunnen zijn voor dat permanente gevoel van crisis wat (onze) identiteit betreft’. (…) ‘Op het persoonlijke vlak denk ik dat sociale media, en dat is maar een hypothese, daarbij een grote rol spelen. Je bent de hele dag bezig je te presenteren, jezelf te ensceneren. Tegelijk word je ook van alles door anderen toegeschreven. Je gaat je dan afvragen of die etiketten kloppen met de manier waarop je jezelf ziet’.

Volgens Heinrich ontstaat een identiteitscrisis dus op het moment dat je buiten je veilige sociale omgeving treedt en onbekenden ontmoet en in die zin gedefinieerd heeft identiteit met sociale structuren en niet met individueel handelen te maken en ligt de nadruk op het conflict dat dan ontstaat overeenkomstig het activisme van de socioloog Max Weber. Het begrip identiteitspolitiek domineert daarom tegenwoordig het politiek debat met de nadruk op anti-racisme, seksisme etc. waardoor het politieke klimaat verzuurt.

Max Weber’s tijd- en vakgenoot Emile Durkheim dacht daar overigens anders over, volgens hem ligt de oorzaak van een sociaal verschijnsel in een combinatie van omvang, materiële en morele dichtheid in de samenleving waarbij omvang en bevolkingsdichtheid voor hem niet voldoende oorzaak zijn, beslissend is de morele dichtheid d.w.z. de intensiteit van de communicatie en uitwisseling tussen individuen. Hoe meer relaties tussen individuen, hoe meer samenleving, des te minder strijd. Volgens mij zit Herman Vuijsje meer op deze lijn want hij gaat het debat niet uit de weg…

Een interessant onderzoeksobject voor sociologen overigens deze discussie, zowel theoretisch als methodologisch zouden ze een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan dit debat dat zo gevoelig ligt en wordt gedomineerd door activisten. De relatie die Nathalie Heinich in het interview met Bas Heijne legt met social media is daarbij interessant en vraagt om meer onderzoek om te kijken of haar hypothese klopt.

Print