De hybride docent

Soms ben je iets zonder dat je het zelf in de gaten hebt.

Zo was ik destijds al jaren bezig verkoop informatie systemen in bedrijven te implementeren en kwam ik er achteraf pas achter dat ik eigenlijk heel hip met CRM bezig was. De toekomst haalt je in en drukt een stempel op het verleden. Die ervaring had ik ook afgelopen maandag toen ik op een congres in Utrecht was over het hybride docentschap toen ik er achter kwam ik dit de laatste vier jaar werkzaam te zijn geweest als docent op een HBO terwijl ik dit combineerde met andere projecten…

Een hybride docent is dus iemand die parttime docent is en daarnaast nog ander werk heeft. Op dit congres, georganiseerd door het Hybride Docent initiatief, bleek dat er veel belangstelling is voor het combineren van onderwijs met ander werk omdat dit voor alle betrokken partijen veel voordelen oplevert. Voor de docent omdat hij meer afwisselend werk heeft, voor het onderwijs omdat er zo meer praktijk docenten beschikbaar komen, voor het bedrijfsleven omdat ze kunnen profiteren van de kennis van docenten en invloed kunnen uitoefenen op het onderwijs curriculum en, last but not least, voor de leerling/student omdat er iemand voor de klas staat die recente praktijkervaring de klas mee inneemt.

Tijdens de sessie in Utrecht bleek dat ondanks al deze voordelen er toch een aantal belemmering zijn die het niet makkelijk maken voor de hybride docent en de belangrijkste die naar voren kwam is die van de noodzakelijke onderwijsbevoegdheid. Lange tijd konden praktijk docenten zonder officiële bevoegdheid voor de klas staan maar daar is recent verandering in gekomen omdat er vanuit het ministerie van onderwijs eisen worden gesteld aan de bevoegdheid zoals het minimaal het onderwijs niveau hebben op het niveau waarop je les geeft en een aanvullende onderwijs bevoegdheid, als je die niet hebt kost het je minimaal anderhalf jaar dit te halen.

Dat is een behoorlijke investering voor een parttime baan en dan moet je als hoogopgeleide wiskundige of bedrijfskundige met een staat van dienst in het bedrijfsleven of instelling wel erg gemotiveerd zijn voor het salaris van een parttime docent aan de slag te gaan. Toch zijn die mensen er en ik sprak er een aantal in Utrecht die erg gefrustreerd waren niet aan de slag te kunnen gezien het ontbreken van de vereiste bevoegdheden. Gelukkig haken een aantal onderwijsinstellingen hierop in, zo werkt de Hogeschool Utrecht momenteel aan een verkorte didactische opleiding, een mooi initiatief!

Naast ambitieuse hybride docenten en onderwijsinstellingen waren er in Utrecht ook werkgevers en ik sprak er een directeur van een bedrijf die er ronduit voor uitkwam een aantal oudere werknemers in dienst te hebben waar hij vanaf wilde en die wellicht als hybride docent aan de slag konden. Wat is er mooier dan aan het eind van je carrière je kennis over te brengen op de jeugd? was zijn motto. Toen ik daarna met iemand van een ROC sprak vertelde ze daar niet zo blij mee te zijn omdat het immers niet de beste werknemers zijn die via dit soort programma’s worden aangeboden. Het onderwijs heeft behoefte aan de beste mensen en niet de oude knarren die overblijven bij een reorganisatie, niet zelfredzaam zijn en moeten worden geholpen aan een baantje. Het hybride docentschap moet dus niet worden misbruikt om op een makkelijke manier van werknemers af te komen zodat ze, zonder gekwalificeerd te zijn, aan de slag kunnen als docent.

Toch is de relatie onderwijs – bedrijfsleven vanuit dit perspectief een interessante en breder dan alleen het docentschap en heeft het voordelen voor beide. Brenda Vermeeren (Hybride Docent Erasmus Universiteit & ICTU) ging tijdens de bijeenkomst in op de AMO-theorie die de grondslag vormt van het moderne strategische HRM beleid van organisaties. Voor bedrijven geldt dat zij voordeel kunnen hebben bij samenwerking omdat zij ervoor moeten zorgen dat hun werknemers over de benodigde kennis en vaardigheden beschikken om voorop te blijven lopen, daarbij kan het onderwijs een grote rol spelen.  Waarom docenten uit het onderwijs niet hybride inzetten op hun interne opleidingsprogramma’s?  Voor het onderwijs geldt dat zij door samenwerking met bedrijven een beter zicht krijgen op de benodigde competenties die hun studenten nodig hebben als ze gaan werken, het verkrijgen van stageplaatsen en praktijk cases die in het onderwijs door docenten gebruikt kunnen worden. En waarom docenten niet af en toe een weekje in bedrijven laten meelopen?

Steven Gudde (Hybride docent HvA en werkzaam voor Olympia) vertelde tijdens de bijeenkomst in Utrecht dat de onderwijs markt momenteel wordt gekenmerkt door schaarste, flexibilisering, snelle technologisch ontwikkeling en polarisatie. Deze trends gelden natuurlijk ook voor bedrijven die zich continu moeten blijven vernieuwen en het potentieel van hun werknemers moeten aanwenden om zich continu te blijven ontwikkelen, dat wil en eist de moderne werknemer zelf overigens ook van een moderne werkgever in dit flex tijdperk. Daar liggen dus veel mooie nieuwe uitdagingen voor onderwijsinstellingen die volgens mijn dus innovatiever op dit soort ontwikkelingen moeten inspelen. Bijvoorbeeld: veel bedrijven zullen de komende jaren afscheid gaan nemen van hun oudere werknemers die jarenlang de kennis dragers binnen hun bedrijf waren. Hoe zorg je er dan voor dat al die kennis die daar zit en vaak niet vastgelegd is, laat staan geborgd, ook beschikbaar blijft voor de organisatie? Een mooie uitdaging voor zowel onderwijs als bedrijven lijkt mij.

Hybride docenten die met één been in het onderwijs en met het andere in de praktijk zijn dan bij uitstek geschikt een brug te slaan tussen onderwijs en praktijk. Het is dan ook mooi tijdens deze bijeenkomst te zien dat daar aan gewerkt wordt! Een goed initiatief dus dit evenement van de Hybride Docent!

Blijft de vraag staan wat ik nu aan het doen ben maar daar kom ik ooit nog wel eens achter…

Schaken en Algoritmes

Vanaf het moment dat de computer werd uitgevonden hebben mensen geprobeerd computerprogramma’s te ontwikkelen die het konden opnemen tegen de mens.

De eerste die een artikel publiceerde over computerschaak was Claude Shannon die in 1950 het artikel “Programming a Computer for Playing Chess” publiceerde, een jaar daarop publiceerde Alan Turing, op papier, het eerste computer programma. Op basis van hiervan schreef zijn collega Dietrich Prinz in 1951 het eerste, echt werkende schaakprogramma op een Ferranti Mark I computer van de Universiteit van Manchester, dit programma was nog niet in staat een volledige partij uit te spelen. Het duurde nog tot 1958 tot een Alex Bernstein van IBM het eerste  programma voor een IBM 704 mainframe schreef waarmee een volledige partij kon worden gespeeld.

Eind jaren 70 verschenen de eerste schaakcomputers voor thuisgebruik in de winkels. Zelf heb ik begin jaren tachtig nog geschaakt op de Sinclair ZX81 van mijn broer met het programma 1K ZX Chess wat toen het eerste programme was dat ik gebruikte op de computer. Sindsdien zijn er vele schaakcomputers ontwikkeld en werden vanaf 1980 jaarlijks de Micro Schaakcomputer Wereldkampioenschappen (WMCCC) georganiseerd om te bepalen welke schaakcomputer de beste ter wereld was, vanaf 1990 werd hierbij alleen nog maar gebruikgemaakt van PC’s.

In 1996 was de schaakcomputer Deep Blue de eerste die in een tweekamp tegen de regerend wereldkampioen Garri Kasparov met een 4-2-voorsprong won waarvan één partij winnend: de computer had de mens verslagen en vanaf dat moment stond niet meer de vraag centraal of de computer van de mens kon winnen bij het schaken maar welke computer het beste kon schaken.

Daar is dan nu weer een nieuwe ontwikkeling bij gekomen nu de kunstmatige intelligentie bij het schaken zijn intrede heeft gedaan en het programma AlphaZero, ontwikkeld door Google-dochter Deep Mind, onlangs het op dit moment beste schaakprogramma Stockfisch versloeg. Wat AlphaZero uniek maakt is dat deze software gebruik maakt van een algoritme dat, op basis van kennis van de schaakspelregels, zichzelf leert schaken. AlphaZero had vier uur nodig om het schaken te leren en daarmee de beste te worden en heeft inmiddels hetzelfde gedaan voor het spel Go en de Japanse schaakvariant Shogi.

Eén algoritme dus die zelf schaakprogramma’s schrijft en dus generaties computer-programmeurs overbodig maakt die bezig zijn geweest het beste schaakprogramma te schrijven. De vraag is dus nu niet meer ‘Wie schrijft het beste schaakprogramma” maar “Wie schrijft het beste spel algoritme”. Google kondigde overigens tegelijkertijd aan dat hun ‘Brain team’ bezig is een algoritme te ontwikkelen dat zelf artificial Intelligence bouwt.

Het gaat dus allemaal om algoritmes tegenwoordig die het programmeren van software overbodig maken. Dachten we tot voor kort dat er altijd wel behoefte zal zijn aan software programmeurs dan lijkt het er nu op dat maar een beperkt aantal slimme programmeurs aan algoritmes sleutelt waardoor veel programmeurs overbodig worden. Google ontwikkelt haar algoritmes overigens als zgn. open software zodat ook andere, niet Google medewerkers, in staat zijn mee te werken en kunnen profiteren van dit soort ontwikkelingen en dat is dan weer mooi!

Het begrip algoritme is vernoemd naar de Perzische wiskundige Mohammed ibn Moesa al-Chwarizmi  (op de postzegel) die dit begrip voor het eerst bedacht. Een algoritme wordt door hem gedefinieerd als een eindige reeks instructies die vanuit een gegeven begintoestand naar een beoogd doel leidt.

Op 30 november 2017 was ik op een bijeenkomst in Utrecht georganiseerd door Gemeas Patents en B-GRIP een informatiemiddag over Intellectueel Eigendom (IE) en vroeg toen aan een in IP gespecialiseerde advocaat  Bert-Jan van den Akker van Doen Legal uit Zeist of je ook IP kunt hebben op een algoritme. Dat kan volgens hem niet niet omdat een algoritme een algemeen goed is net als een wiskundige formule of de chemische samenstelling van een stof.

Hier kreeg ik later, naar aanleiding van deze blog, een aanvulling op van ir. Arjan van der Maarl, Dutch and European Patent Attorney werkzaam bij Gemeas Patents, eveneens aanwezig op deze bijeenkomst. Volgens hem zijn, met betrekking tot het intellectuele eigendom van algoritmes inderdaad uitgesloten, echter ze zijn slechts uitgesloten als zodanig. De historische reden hiervoor is dat algoritmen vaak een wiskundig principe beschrijven en daarmee een te breed uitsluitend recht geven aan de aanvrager ten opzichte van de wetenschappelijke/technologische vooruitgang geboden door het algoritme. Kortom: een octrooirecht zou de technologische vooruitgang meer remmen dan bevorderen.

Ondanks dat algoritmen zijn uitgesloten als zodanig is de toepassingen van een algoritme dat een technisch effect heeft wel octrooieerbaar. Van ir. Arjan van der Maarl kreeg ik een een concreet voorbeeld van een octrooieerbaar algoritme toegestuurd waarin een formule zit verwerkt (en waarvan hij mij toestemming gaf dit hier te publiceren):

Werkwijze voor het meten van de hoogte van een kerktoren, waarbij de werkwijze de stappen omvat van:

  1. het selecteren van een meetpunt ten opzichte van de kerktoren, waarbij het meetpunt op de grond gelegen is;
  2. het bepalen van de afstand b van het meetpunt tot de kerktoren;
  3. het bepalen voor het meetpunt van de hoek alfa tussen de grond en het hoogste punt van de kerktoren;
  4. en het berekenen van de hoogte a van de kerktoren door het toepassen van de formule a = b x tan alfa.

Kortom: een algoritme als zodanig is niet octrooieerbaar, maar een toepassing van een algoritme met een technisch effect is wel octrooieerbaar.

Een helder voorbeeld maar waarschijnlijk een heel gepuzzel als het gaat om ingewikkelde en complexe algoritmes.  Bedrijven, die hun zelf ontwikkelde algoritmes willen beschermen, zullen daar specialistische juridische kennis voor in huis zullen moeten gaan halen, een lucratieve nieuwe business lijkt me.

Al met al een interessante ontwikkeling rond die algoritmes, wel doemt er bij mij  een nieuwe vraag op voor de algoritme ontwikkelaars: ‘Is er een schaakprogramma mogelijk, gegenereerd door een algoritme, dat niet verbeterd kan worden?’ Waarna natuurlijk de vraag volgt: ‘Kan er een algoritme ontwikkeld worden dat niet verbeterd kan worden?’ En uiteindelijk: ‘Is er één algoritme mogelijk dat alle algoritmes overbodig maakt en niet verbeterd kan worden?’ Als we deze laatste vraag hebben beantwoord kan het ‘BrainTeam’ van Google worden opgeheven en krijgt ons eigen brein de instructie voortaan alleen nog maar met plezierige emoties bezig te zijn…

Met dank aan ir. Arjan van der Maarl voor zijn input!

Vrijheid van meningsuiting

Een tijd terug was ik in het Groninger Museum voor een tentoonstelling ‘Student in Groningen 1614-2014’. Omdat ik zelf in Groningen gestudeerd heb was ik natuurlijk met name geïnteresseerd in de periode 1968 – 1980, de periode tussen de studentenopstanden aan  universiteiten over de hele wereld waarbij zij massaal in verzet kwamen tegen de toenmalige elite en meer inspraak eisten en de periode dat ik zelf in Groningen economie studeerde.

Wat mij opviel aan deze tentoonstelling is de continue historische lijn van het succes van de studenten corpora als dominante factor binnen het studentenleven en het kleine intermezzo van eind jaren zestig tot begin jaren tachtig dat wordt gekenmerkt door turbulentie en grote veranderingen. Welgeteld één wandje was volgeplakt met foto’s over acties in die tijd waarna de tentoonstelling weer vrolijk verder ging over Vindicat, ontgroeningen en andere studenten rituelen die nu nog steeds het nieuws halen.

Dus tijdens die 400 jaar zijn de roerige jaren zestig maar een klein intermezzo van 15 jaar geweest waarin studenten streden om meer zeggenschap en en toegang tot het onderwijs voor iedereen. Ik heb zelf in die tijd, na mijn switch naar Utrecht daar in de faculteitsraad Sociale Wetenschappen gezeten waar mijn stem evenveel waard was als die van de professoren en wetenschappelijk medewerkers. Ik zat toen in de faculteitsraad met de spraakmakende psycholoog professor Piet Vroon die deze inspraak maar niks vond en dat leverde interessante discussies in de faculteitsraad op.

Ik was in die tijd meer bezig met dit soort zaken dan met mijn studie zelf en hoefde als student alleen collegegeld te betalen om te kunnen studeren (500 gulden geloof ik) en dan kreeg ik een studiebeurs, mijn studievoortgang werd toen niet gecontroleerd. In die periode werd het hoger onderwijs voor het eerst breed toegankelijk voor velen en daar heb ik toen van kunnen profiteren: mijn ouders hadden beide niet gestudeerd en ik behoorde tot de eerste generatie van mijn familie die toegang kreeg tot het wetenschappelijk onderwijs.

Dat is tegenwoordig allemaal anders. Studiefinanciering is er nog wel maar niet meer als beurs maar als lening en alleen als je genoeg studiepunten hebt mag je verder. Het overstappen van de ene studie kan wel maar kan consequenties hebben voor je studiefinanciering en de hoogte van het collegegeld etc.. Door al deze beperkingen is studeren dus niet meer zo vanzelfsprekend als in mijn tijd.

Tijdens die tentoonstelling in Groningen realiseerde ik me dat de democratiseringsbeweging van 1968 dus maar heel beperkte invloed heeft gehad. Ik geloofde destijds democratisering een onomkeerbaar proces was en dat de dingen die we realiseerden niet meer terug gedraaid konden worden.

Ik moest hier aan denken toen ik in de Volkskrant vanmorgen, 5 december 2917, een artikel las over de vrijheid van meningsuiting, religiekritiek en het opkomen voor humanistische waarden. De Internationale Humanistische en Ethische Unie (IHUE) heeft een rapport gepubliceerd, het Freedom of Thought Report 2017, en daaruit blijkt dat het geweld tegen ongelovigen, agnosten en vrijdenkers extremer wordt en dat deze ongelovige steeds feller worden gediscrimineerd, vervolgd of zelfs gedood. Zo is in Pakistan de student Mashal Khan onlangs doodgeslagen door een groep woedende studenten omdat hij zich op Facebook humanist had genoemd.

In ons land zijn er, volgens recent onderzoek, meer atheïsten dan gelovigen en daarom doen we het waarschijnlijk beter dan andere landen wat betreft de vrijheid van meningsuiting. Toch moeten we waakzaam zijn, ook hier hebben afvallige moslims die zich afwenden van de Islam het moeilijk zoals blijkt uit een onderzoek van Gert Jan Geling, docent aan de Haagse Hoge School volgens hetzelfde artikel in de Volkskrant.

En het zijn niet alleen religieuze redenen die de vrijheid van meningsuiting beperken. Neem bijvoorbeeld het recente voorbeeld van de Amerikaanse Juli Briskman die recentelijk onder het fietsen haar middelvinger opstak naar een konvooi dat de president vervoerde. De reden waarom ze dit deed was dat ze boos is op het politieke klimaat in de VS: ‘Dit was een mogelijkheid er iets van te zeggen.’. Een foto van dit  voorval ging al snel rond op het internet en een dag later werd ze ontslagen door het bedrijf waarvoor ze werkte Akima LLC. 

Als reden voor haar ontslag gebruikte haar werkgever het argument dat Briskman deze foto als profielfoto op social media had gebruikt en dat ze daarmee het social mediabeleid van het bedrijf overtrad. Pas maar op dus, protesteren tegen de overheid kan je dat dus je baan kosten in het land waar de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst in de grondwet staan.

Het vooruitgangsgeloof dat wij hadden in de jaren zestig en de verwachting dat alles als maar beter zou worden is dus een verschijnsel van voorbijgaande aard geweest. Uit het rapport van de IHUE blijkt dat de vrijheid van meningsuiting wereldwijd flink onder druk staat en vrijdenkers in veel landen op hun tellen moeten passen.

Blijven schrijven dus maar…