Het Agora Informatie Model (AIM)


1. Waarom zijn bedrijven succesvol?

De waan van de dag doet je soms de lange termijn trends uit het oog verliezen en bovenstaand overzicht over de ontwikkeling van de belangrijkste merken wereldwijd laat zien dat er recent behoorlijk wat verschuivingen zijn. Het zijn met name de Amerikaanse High Tech IT bedrijven als Apple, Microsoft, Google en recent Amazon die de laatste jaren wereldwijd een opmars hebben gemaakt waarbij het eerst ging om bedrijven die zich richten op de IT infrastructuur en nu steeds meer om de software toepassing gaat. 

Samsung (Zuid Korea) en Toyota (Japan) zijn de enige Aziatische merken terwijl Europa met BMW en Mercedes-Benz alleen vanwege de Duitse autoindustrie in het overzicht vertegenwoordigd is. En juist die Duitse autoindustrie heeft het momenteel zwaar vanwege de Brexit en de dreiging van de verhoging van invoertarieven zowel vanuit de VS als uit de UK en de energietransitie.

Het wachten is op nieuwe sterke merken uit China zoals Huawei, nu al groter dan Samsung, en Alibaba. Het zal niet lang meer duren voordat die in deze top 15 kunnen doordringen en dat zou best wel eens snel kunnen gaan. Vroeger was de levensduur van een sterk merk decennia terwijl je nu in een aantal jaren heel bekend kan worden of juist van het toneel kan verdwijnen. Ik zou overigens Disney goed in de gaten houden, dit oude media bedrijf is bezig met een innovatieve comeback.

Bovenstaand overzicht van de top 15 ‘brands’ zegt iets over de bekendheid van bedrijven als merk maar natuurlijk niets over de stand van de economie. De maatstaf voor een recessie is immers de groei van het GBP en als er gedurende twee kwartalen een terugval is spreken we van een recessie, daar zijn we in Nederland nog ver vandaan. Onze buur Duitsland bijvoorbeeld, waar we veel zaken mee doen, zit in de gevarenzone: het laatste kwartaal van 2018 hadden ze nul procent groei en de verwachtingen zijn somber.

Krimp van het GBP zegt echter niks over het welvaartsniveau in een land omdat dit samenhangt met het gemiddelde inkomen en vermogen in een land. Volgens de OESO, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, heeft Nederland na US de grootste vermogens­ongelijkheid van alle westerse landen, wat betreft de inkomensongelijkheid zijn we een middenmoter zijn volgens een artikel in de Volkskrant van 4 juli 2018. 

2. Koopkracht als maatstaf voor welvaart.

Deze week kwam het boek Veenbrand van Kim Putters, directeur van het CPB, uit. In dit boek stelt hij de vraag wie er het meest profiteert van onze welvaart en welke gevolgen dat heeft voor onze welvaart. Volgens Kim Putters gaat het in ons land goed met een grote groep mensen maar zitten er in de middenklasse en aan de onderkant van de samenleving grote groepen mensen die maar moeilijk rond kunnen komen ondanks het feit dat onze economie sinds 2013 alleen maar gegroeid is en onze werkloosheidcijfers al een tijd vrij laag zijn. Zo zijn er mensen die een baan hebben maar daar niet van rond kunnen komen. Als voorbeeld noemt hij de grote groep ZZP’ers die hard moeten werken voor een laag uurtarief en daardoor weinig besteedbaar inkomen hebben, een slechte rechtspositie en beperkte sociale voorzieningen. 

Wellicht is de koopkracht een betere maatstaf voor welvaart: heb je als huishouden na aftrek van al je vaste lasten nog genoeg geld over om goed te kunnen leven? Ik was deze week als vrijwillige aan het helpen met het inpakken van voedselpakketten bij de voedselbank en de vrijwilligers daar vertelden mij dat er in Amersfoort, met ongeveer 155.000 inwoners, volgens de statistieken ongeveer 2.000 huishoudens zijn die in aanmerking komen voor een voedselpakket terwijl er zo’n 400 wekelijks een pakket krijgen. De norm voor het krijgen van een voedselpakket is dat er per persoon per week minder dan 35 euro overblijft na aftrek van alle kosten en daar moet je dan van eten, drinken, kleden en vermaken. 5 euro per dag dus! 

Degene die geen beroep doen op deze pakketten doen dit vooral uit schaamte, er is dus een grote groep mensen hier vlakbij die nauwelijks rond kunnen komen terwijl het met vele anderen zo goed gaat. 30 euro meer per maand voor de energierekening betekent voor iemand die maar 5 euro per dag overhoudt dat dat er nog maar 4 zijn. Volgens het kabinet is compensatie echter niet nodig omdat het totale koopkrachtplaatje voor iedereen positief is. Als je alle 2.000 Amersfoorters die in armoede leven zou compenseren voor de stijging van de energiekosten ben je 75.000 euro per jaar kwijt, de gemiddeld kosten voor één bijstand ambtenaar.

Met de koopkracht van de burger is volgens mij iets vreemds aan de hand. Mijn stelling is dat het niet voldoet om het begrip recessie te definiëren als twee opeenvolgende kwartalen economische krimp omdat dit niets zegt over de onderliggende inkomens- en vermogensongelijkheid en de uiteindelijke koopkracht van de burger waar het ons toch allemaal om draait: geen economie zonder burgers die in staat zijn producten en diensten te kopen. 

De vraag die je dan kunt stellen is of economische groei nodig is om een betere koopkracht te realiseren. Door product- en dienstinnovaties, het beschikbaar komen van digitale platformen zoals Amazon, Facebook en Alibaba en een steeds efficiëntere logistieke en financiële afhandeling van de suply chain kunnen consumenten tegen steeds lagere prijzen producten kopen. Daar komt dan nog de grijze economie van de digitale marktplaatsen waardoor consumenten producten en diensten kunnen kopen, verkopen of ruilen zonder dat er soms geld aan te pas komt.

Deze ontwikkeling zorgt ervoor dat je met hetzelfde geld meer kunt doen waardoor de intrinsieke waarde van je geld toeneemt en dat is een trend die zich al een tijdje voordoet en de komende jaren zeker zal doorzetten. Met minder geld meer kunnen doen betekent ook dat je niet persé economisch groei nodig hebt om de koopkracht van individuen te kunnen vergroten. Sterker nog, economische groei zonder verbetering van de koopkracht impliceert een vergroting van de inkomens en vermogens ongelijkheid omdat er meer geld aan de strijkstok blijft hangen, zie de extreme rijkdom van IT bedrijven als Microsoft, Google, Facebook etc..

Als we de slag kunnen maken dat dit soort monopolistische grootverdieners hun marges naar normale proporties kunnen terugbrengen worden we er allemaal beter van. Dit kan alleen maar als de overheden daarbij meer regulerend gaan optreden omdat het voorkomen van monopolies nu eenmaal een overheidstaak is. Terwijl vroeger de banken de financiële markten reguleerden en de centrale banken daarop toezagen zullen er nu nieuwe mechanismes moeten komen voor de regulering van de digitale markten waarbij niet de economische groei voorop zou moeten staan staat maar een efficiënte werking van de digitale markt. 

3. De financiële markt versus de digitale markt.

Op de financiële markten gaat het allemaal om financiële transacties waarbij geld het scharnierpunt is op basis waarvan de markt van vraag en aanbod kan werken en financiële waarde kan worden gecreëerd waarvan alle betrokken partijen kunnen profiteren, zowel de geld verstrekker, in de vorm van rente, als de investeerder die daardoor winst kan maken (als zijn businessmodel werkt). Op de digitale markten gaat het niet om geld maar om informatie. Informatie is het nieuwe geld zou je kunnen zeggen en dat hebben de grote digitale bedrijven zoals Facebook en Google goed begrepen. In de gebruiksvoorwaarden van deze bedrijven wordt het eigendom van de door ons toegevoegde data door hen geclaimd en in ruil daarvoor mogen wij hun software gebruiken. En daardoor halen ze, zonder dat veel gebruikers het beseffen, een schat aan informatie binnen met een enorm economisch potentieel. Investeerder investeren graag in dit soort bedrijven ook al maken ze nog geen winst (zoals Uber en Airbnb) vanwege de verwachting dat ze in de toekomst, als ze eenmaal en monopolie positie hebben, op de digitale markt veel geld gaan verdienen. 

Je kan natuurlijk beslissen niet met deze platforms te gaan werken maar dan kies je er ook voor niet mee te doen aan de digitale samenleving die toch ook veel voordelen biedt. Onderhandelen met deze leveranciers als gebruiker over de gebruiksvoorwaarden is ook geen optie vanwege de monopoliepositie van deze bedrijven. De enige optie die ik zie om dit te veranderen is dat de gebruikers van deze platforms zich digitaal gaan organiseren en digitaal in opstand komen met als belangrijkste punt dat onze digitale data van ons zijn en niet van de eigenaren van deze platforms en dat ze ons moeten betalen als ze die voor een ander doel willen gebruiken dan we ze hebben verstrekt. En dat zal dan door de politiek moeten worden vertaald in wetgeving, toezicht en een forse boete als ze zich daar niet aan houden ten gunste van de gebruiker. Pas dan krijg je echte digitale marktwerking en lopen de inkomsten van deze grootverdieners terug en stijgt onze koopkracht omdat we niet alleen maar betalen voor digitale diensten maar er ook aan kunnen verdienen.

4. De brug tussen ons innerlijke en het openbare leven

Van Hannah Arendt komt de definitie van het ‘twee-in-een principe’ d.w.z. ‘onze innerlijk dialoog met onszelf waardoor iedereen zichzelf de maat neemt en een brug slaat tussen ons innerlijke en het openbare leven van de mens’. En die brug tussen ons innerlijk en openbaar leven krijgt vorm door ons handelen.

Een mooi beeld is dat: de brug tussen ons innerlijke en het openbare leven waarvan de reikwijdte de laatste jaren behoorlijk veranderd is. Beperkte vroeger ons openbare leven zich tot gezin, werk, kerk en/of kroeg, tegenwoordig speelt ons openbare leven zich niet alleen af in de fysieke werkelijkheid maar ook in toenemende mate online, veel mensen besteden geheel vrijwillig hun tijd aan het internet en sociale media waardoor ons openbare leven een veel groter bereik heeft gekregen.

Je kan de impact van het internet denk ik goed vergelijken met de impact van de uitvinding van de boekdrukkunst rond 1454 door Laurens Janszoon Coster en/of Gutenberg. Luther zouden nooit zo succesvol zijn geweest als hij zijn reformatorische stellingen niet via boeken had kunnen verspreiden en hetzelfde geldt bijv. voor Erasmus met betrekking tot het humanisme. Natuurlijk was er veel weerstand van de gevestigde orde tegen bepaalde boeken maar het boek, eenmaal uitgevonden, bleek het hardnekkig te blijven bestaan en in verboden vorm des te aantrekkelijker om te lezen.

Cruciaal was dat door de boekdrukkunst de geestelijkheid haar monopolie op informatietoegang en de lees- en schrijfkunst verloor. Hierdoor kreeg met name de intellectuele elite (wetenschappers, schrijvers, journalisten, politici, kunstenaars etc.) toegang en kwamen er uitgeverijen, tijdschriften en kranten die als poortwachters bepaalden wat wel of niet gepubliceerd werd, je kan dus stellen dat door de boekdrukkunst het monopolie verschoof naar de intellectuele elite.

En dan nu de internet revolutie die kan worden gekenmerkt als de volledige democratisering van de informatietoegang. Iedereen heeft tegenwoordig toegang tot het internet, kan een boek schrijven, dit op internet publiceren of zelf een website beginnen en daar alles op zetten wat men wil, hoe onbenullig ook. Met name door het ontstaan van ‘social media’ heeft deze democratisering van de informatietoegang een enorme boost gekregen en tegelijkertijd een nieuwe dimensie toegevoegd aan ons openbare leven.

Ons openbare leven wordt met de nieuwe mogelijkheden van het internet niet alleen meer gevormd door het rechtstreeks handelen tussen mensen maar nu ook met iedereen in de digitale wereld waarin je online actief bent. Een ontwikkeling die nog maar net begonnen is en waarvan commerciële partijen de eigenaar zijn en we de impact nog niet goed kunnen overzien. Natuurlijk weten we dat er impact is op onze privacy, inlichtingendiensten alles kunnen volgen, iemand waarmee je chat een ‘bot’ kan zijn, de uitkomst van een search op Google gestuurd wordt door betalende adverteerders, dat de meest actieve internetters last hebben van eenzaamheid en depressies en vreemde mogendheden proberen onze verkiezingen te beïnvloeden, en o ja: de volgende oorlog een cyberoorlog wordt …of al begonnen is? Allemaal onbedoeld bijeffecten van de democratisering van de informatietoegang die de bedenkers van het internet niet voorzien hadden.

De vraag is nu wat de lange termijn gevolgen van het internet zullen zijn. Leverde de boekdrukkunst de reformatie, het humanisme en later de verlichting op, wat kunnen we verwachten van de digitale revolutie die nu plaats vindt? Uit de bijeffecten blijkt dat we nog niet goed weten hoe we met deze nieuwe onlinewereld moeten omgaan en het is te hopen dat ons zelfregulerend vermogen ons in staat stelt de ongewenst excessen te voorkomen. Ondertussen valt het me op dat de oude intellectuele elite het moeilijk heeft met deze ontwikkelingen omdat zij hun oude positie van poortwachter aan het verliezen zijn. Dat blijkt uit de dalende verkoop van kranten en boeken maar ook uit het opkomende populisme dat zich vaak richt tegen intellectuelen en journalisten (Trump vs. CNN). Eigenlijk logisch, de democratisering van de informatievoorziening zal zich in eerste instantie richten tegen de oude poortwachters tot informatie net zoals dat destijds na de uitvinding van de boekdrukkunst gebeurde tijdens de beeldenstorm.

Op dit moment is het echter onduidelijk wat al deze nieuwe digitale ontwikkelingen op termijn gaan opleveren: blijven we allemaal in onze ‘bubble’ zitten of gaan we af en toe switchen? Laten we onze politieke voorkeur afhangen van de consensus in de eigen groep of vormen we liever onze eigen mening? Worden we kritisch op ons onlinegedrag of laten we ons leiden door ‘influencers’ die onze behoefte gaan bepalen…

De brug waar Hannah Arendt het over heeft is een multidimensionale snelweg geworden waarop we de innerlijke dialoog met onszelf niet alleen moeten afstemmen met ons ‘offline’ maar ook met ons ‘online’ openbare leven.

5. De online publieke tribune

Steven de Waal is oprichter van de denktank Public Space en schreef zijn proefschrift over ‘The Value(s) of Civil Leaders’ over maatschappelijke vernieuwing en leiderschap. Zijn werk gaat met name over de impact van digitale ontwikkelingen op onze samenleving waarbij de grote veranderingen met betrekking tot de manier waarop onze communicatie, opinievorming en besluitvorming in het publieke en politieke domein tot stand komen centraal staan. Met de komst van Twitter, Facebook en andere social media is er een permanente publieke tribune ontstaan: iedereen is journalist geworden en opinies en oordelen worden razendsnel gevormd. Politieke partijen, vakbonden en de traditionele media zijn hun vanzelfsprekende positie en rol kwijtgeraakt, ze zijn niet langer leidend maar volgend ten opzicht van het publieke debat dat zich vooral op de sociale media afspeelt.

Om aan het publieke debat te kunnen deelnemen moet je tegenwoordig over andere kwaliteiten beschikken als vroeger toen het met name om retorische vaardigheden ging. Nu is het belangrijk dat je op het internet een sterk en aansprekend profiel hebt en veel likes en volgers genereert, genuanceerd denken is daarbij geen voordeel. Het publieke debat speelt zich tegenwoordig online af en als je in staat bent een belangrijke opinieleider of ‘influenceer’ te zijn dan wordt je ook voor de politiek interessant. Een goed voorbeeld daarvan is Annabel Nanninga die nu in de Amsterdam gemeenteraad zit maar haar bekendheid te danken heeft aan twitter. De nieuwe politicus hoeft zich niet meer door de partij hiërarchie omhoog te werken om politieke carrière te maken maar kan dit doen door zich vanaf de bank op het internet te profileren.

6. Het Agora Informatie Model.

Het publieke tribune model van Steven de Waal gaat uit van de oude tegenstelling kiezer – gekozene waarbij degene die in staat is met de massa te communiceren de meeste invloed heeft en de politieke agenda kan bepalen. In het oude Griekse stadsstaten speelde het debat zich echter niet af in de arena of het theater maar in de agora, het stadsplein in Athene was niet allen de marktplaats maar ook het centrum van het atletische, artistieke, spirituele en politieke leven, Socrates, Plato and Aristoteles voerden hier hun filosofische gesprekken met hun medeburgers. Het Agora model gaat uit van gelijkwaardigheid tussen de deelnemers aan het debat en het zoeken naar consensus op basis van argumenten en overtuigingen.

De te vroeg overleden filosoof René Gude ontwikkelde het Agore model is en dat is volgens mij een goede basis voor het analyseren de verschillende digitale domeinen. Dit model maakt onderscheid tussen levenssferen en trainingssferen, laat ik het eerst eens hebben over de levenssferen.

  1. Privé: de familie en vriendenkring van een persoon, wordt gekenmerkt door weinig vastgelegde regels, binnen deze sfeer wordt informatie graag gedeeld, naar buiten waakt men over de eigen privacy. Voor digitale communicatie gebruikt men hier het liefst WhatsApp of een besloten groep op Facebook of een ander digitaal platform waardoor de informatie binnen de eigen kring blijft.
  2. Privaat: de werkomgeving in de brede zin van het woord, kan een bedrijf zijn of non profit organisatie instelling maar ook een stichting of vereniging waarvoor men vrijwilligerswerk doet. Informatie wordt hier geacht binnen de werkkring te blijven tenzij wettelijk verplicht deze te publiceren zoals bijv. het jaarverslag. De wijze waarop men om moet gaan wordt meestal vastgelegd in een arbeidscontract of een huishoudelijk reglement of een geheimhoudingsverklaring. De digitale communicatie binnen en tussen private instelling kent vele vormen van email en workspaces tot e-commerce en LinkedIn.
  3. Publiek: alle instellingen die een publieke functie vervullen en door de overheid, bedrijven en personen gesponsord worden en die hun dienstverlening primair richten op de burger. Denk aan ziekenhuizen, scholen en openbare bibliotheken. Hebben een ruimere rapportage plicht naar buiten vanwege hun maatschappelijke functie dan private bedrijven. De digitale informatie wordt in deze sector vaak vast gelegd in de vorm van persoonlijke dossiers en de informatie met de burger vindt steeds meer plaats in de vorm van digitale formulieren.
  4. Politiek: alle politieke organen, in principe is alles openbaar behalve als het om staatsveiligheid gaat. Binnen ons eigen land hebben we daartoe een overheidsportel, DigID waarbinnen alle overheidsinstellingen hun communicatie met de burger hebben vastgelegd. In principe is alle politieke informatie ten aanzien van wet- en regelgeving, rechtspraak en de uitvoering openbaar tenzij het gaat om persoonlijke informatie, dis om de privacy van de burger te borgen.

Volgens René Gide heb je naast levenssferen ook trainingssferen waarbij er een relatie is tussen beide sferen, hieronder een overzicht met daarbij mijn digitale dimensie toegevoegd:

  1. Religie – Privé: hier gaat het om iemands identiteit die hij ontleent aan de communicatie met anderen en het aanhangen van een religie of een ander concept zorgt voor cohesie binnen de prive levenssfeer.
  2. Sport – Privaat: hier gaat het om competitie onderling en het bereiken van doelen. In deze levenssfeer leer je de vaardigheden aan die je helpen overeind te blijven in je werkomgeving. Het opbouwen van een reputatie en het goed kunnen netwerken zijn daarbij een vereiste om succesvol te kunnen zijn.
  3. Kunst – Publiek: De wereld van de verbeelding en het algemeen belang. Kunst verbeeld schoonheid mar houdt ons ook een spiegel voor hoe we zijn en hoe we zouden willen zijn, De kunst die ons confronteert met de buitenwereld is een belangrijke driver voor de publieke levenssfeer.
  4. Filosofe – Politiek: De ideeën wereld en ordening van ons denken door de politieke dialoog en het zoeken naar de waarheid. Vindt uiteindelijk zijn beslag in in wetten vastgelegde regels en een uitvoering en controle praktijk gericht op de drie overige levenssferen.

De interfaces tussen de levenssferen, waar gaat het mis vanuit het perspectief van de burger waar het toch allemaal om gaat?

  1. Privé – Privaat: Facebook en Google die hun gebruikersvoorwaarden aanwenden voor commerciële doelstellingen en je privéleven indringen met advertenties.
  2. Privé – Publiek: Ontoegankelijke overheidsinstellingen waarbij je niet meer te maken hebt met een behandelaar van je aanvraag of probleem maar een digitaal platform met een chatfunctie.
  3. Privé – Politiek: Stemmen op politici die meer bezig zijn met hun eigen imago en reputatie zonder dat het nog om hun ideeën gaat, dit wordt versterkt door de sociale media.
  4. Privaat – Politiek: Een zich uitbreidende regelgeving en een toenemende digitale belasting voor bedrijven die daardoor minder flexibel zijn.
  5. Publiek – Privaat: Onduidelijkheid door de marktwering over wat publiek en wat privaat is in bijvoorbeeld het onderwijs en de zorg.
  6. Publiek – Politiek: Een onduidelijke domeinafbakening tussen beide levenssferen voor de burger en een voor de burger ondoorzichtig netwerk van bestuurders en hun relaties met politici en bedrijven. Voor de burger maar niet van de burger.

7. De tekortkomingen van de digitale marktwerking.

Om de digitale markt beter te kunnen managen heeft de burger nu een aantal belangrijke middelen ter beschikking om zich te kunnen beschermen.

  1. De gebruikersvoorwaarden: zoals bepaald en constant gewijzigd door bedrijven, kan een privé, privaat en publiek gebruik zijn. Vaak bestaan deze gebruikersvoorwaarden uit ellenlange teksten vol juridisch jargon en worden ze door de gebruikers niet of slecht gelezen. Het vaak wijzigen van deze voorwaarden zorgt er eveneens voor dat deze voorwaarden eenzijdig door de opstellende instantie gedicteerd worden.
  2. De geheimhoudingsverklaring: voor burgers die werkzaam zijn in zowel de private, publieke als politieke levenssfeer. Vaak een noodzakelijke voorwaarde om überhaupt bij een instelling aan de slag te kunnen gaan, onderhandelen hierover is daardoor onmogelijk ook vanwege de sancties bij overtreding (boete of ontslag).
  3. De Europese privacy wet (AVG/GDPR): bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de burger waaraan de private, publieke en politieke levensfeer zijn gebonden. Sinds kort van kracht in de EU. Een goede zaak omdat daardoor de rechten van de burger op privacy worden beschermt maar er zijn ook problemen omdat de AVG ook zaken onmogelijk maakt en een behoorlijke administratieve belasting tot gevolg heeft..
  4. De Europese copyrightwet: deze auteursrecht-wetgeving legt restricties op aan hergebruik van informatie elders op het web en van bestanden die gebruikers uploaden. Artikel 13 van deze wet maakt Internetplatforms ervoor verantwoordelijk voor de bescherming van het auteursrecht op filmpjes, foto’s en muziek die door gebruikers online worden gezet. Technisch gezien zal dit zijn uitwerking krijgen in zgn. uploadfilters die content blokkeren als die auteursrechtelijk beschermd is. Zo’n filter zou overigens ook voor andere doeleinden gebruikt kunnen worden. Deze wet is door het Europese parlement aangenomen maar moet nog goedgekeurd worden door lidstaten, gaat nog wel twee jaar duren.
  5. De Wet Openbaarheid Bestuur: borgt openbaarheid van alle overheidsdocumenten voor alle andere levenssferen. Wat voor de private en publieke sector niet geldt, geldt wel voor de overheid. Wanneer politici en beleidsmakers iets publiceren dan is dat in principe altijd openbaar tenzij de staatsveiligheid in het geding komt. Recent heet de Raad van State bepaalt dat deze openbaarheid ook van toepassing is op SM’Sjes en en appjes dus: alles wat kan worden aangemerkt als document, d.w.z. een schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat’ valt hier dus onder, de techniek waarmee dit gebeurd of het soort apparaat dat wordt gebruikt doet er dus niet toe aldus de Raad va State. Een aparte telefoon voor zakelijk en privé si dan wellicht en goede oplossing, maar wanneer pak je wel toestel dan en hoe controleer je dat de juist gebruikt is?
  6. De Archiefwet: gaat over alle opgeslagen documenten overgedragen aan een archief, privé, privaat, publiek of politiek ongeacht de vorm. Archieven hebben tegenwoordig steeds meer te maken met digitalisering en worden, vanuit deze positie, steeds meer betrokken bij het informatiebeleid van de overheid, op termijn zou hier wel eens een integratie kunnen plaatsvinden: een archief bestaat uit de naet meer gebruikte informatie die interessant is te blijven bewaren. Ten aanzien van de archiefvorming zijn er vanuit de politiek regels en wettelijke verlichtingen, voor de privé, private ne publieke levenssferen is het maatwerk.

8. Regulering van de digitale marktwerking.

Eigenlijk zou de basisregel voor informatie hetzelfde moeten zijn als die voor geld: je bent zelf verantwoordelijk voor je eigen data en informatie en derden mogen die alleen maar inzien of gebruiken als je daar toestemming voor hebt gegeven. Gebruikersvoorwaarden en geheimhoudingsverklaringen mogen daar niet aan afdoen en morgen alleen aanvullende regels toevoegen als die van belang zijn voor de doelstellingen van het private of publieke doel van een organisatie.

Informatie speelt tegenwoordig een steeds belangrijker rol in onze digitale samenleving, zonder juiste informatie zijn we stuurloos en dat geldt voor alle vier de leefsferen: privé, privaat, publiek en politiek. Het is daarom van groot belang dat we van elk informatiesysteem weten wie de eigenaar is van de gebruikte informatie en hoe we kunnen borgen dat deze data alleen gebruikt wordt voor het doel warvoor toestemming is gegeven, ook wanneer er naderhand wat wijzigt en dat is in deze digitale samenleving continu het geval. e ervoor gezorgd kan worden dat deze informatie maakt soepel werkt.

De meeste informatie systemen worden gemaakt door private partijen die opereren op een de vrije markt en geen belang hebben bij openbaarheid. Voor de burger, die zijn persoonlijke gegevens bescherm wil zien, en de publieke en politieke sector, die openbaarheid juist van groot belang vindt, lastig dus zaken te moeten doen met een sector die andere commercieel belangen heeft als het gaat om informatie. Voor bedrijven vertegenwoordigd informatie kennis over de consument en zijn koopgedrag en dat is tegenwoordig geld waard.

Waar bij de financiële markten een heel stelsel van centrale banken en toezichthouders is ontstaan ontbreekt deze infrastructuur volledig op het digitale terrein. Die moet er echter wel komen en een wettelijk kader krijgen. Het zou natuurlijk voor de hand liggen de privacywetgeving, de archiefwet en de wet openbaarheid bestuur te integreren in één wet die, net als de bankwet. de governance van informatie zou regelen.

9. De sleutel voor regulering van de digitale markt.

Het zoeken is dus naar de sleutel als het gaat om de regulering van de digitale markt e dan zou je volgens mij je primair moeten richten op daar waar het mis kan gaan: de interfaces tussen de levenssferen. Daarbij staan drie belangrijke begrippen centraal die op gespannen voet met elkaar kunnen staan: privacy, geheimhouding, security en openbaarheid. Zo wil ik bijv. wel mijn prive gegevens delen met een bedrijf als dat mij voordelen oplevert maar eis ik tegelijkertijd dat deze gegevens niet aan derden verstrekt worden of voor marketingdoeleinden gebruikt. De overheid bijv. kan eisen toegang te krijgen omdat ze bijvoorbeeld toezicht willen kunnen houden op een onderwijsinstelling en wil daartoe toegang tot de studentenadministratie. etc..voor data en

Als je dit probleem wilt oplossen kan dat alleen maar door een structurele wereldwijde oplossing en dat is volgens mijn mogelijk door middel van het verder coderen van het ip-adres. Het Internet is destijds ontworpen met de bedoeling een open platform te ontwikkelen waarbij iedereentoegang heeft tot alle informatie. Wat men toen voor ogen had komt nu het best tot uiting bij Wikipedia, een online bijgewerkte website waarbij iedereen in staat is informatie toe te voegen of te wijzigen.

Pas toen het internet succesvol bleek kwam er behoefte aan het afschermen van gegevens zodat niet iedereen erbij kan en werden er op allerlei plekken beveiligingsfuncties op het internet ingebouwd. Het uitgangspunt bleef echter dat het internet een open platform is en dat je er verstandig aan doet op het laagste niveau, het object niveau (server, data, programma), beveiligingsfuncties in te bouwen. En aangezien IT een snelgroeiende innovatieve bedrijfstak is, is het vechten tegen de bierkaai om het beveiligingsniveau steeds optimaal te houden. Een perfecte beveiliging is op het huidige internet dus niet mogelijk en dat is goed nieuws voor zowel de hackers als de beveiligingsexperts die een goede boterham kunnen verdienen met hun diensten die niets toevoegen aan de kwaliteit van het internet en een kostenverhogend impact hebben.

10. De governance rond het IP-adres.

Dit probleem kan alleen opgelost worden door het beschikbaar komen van een geheel nieuw ontworpen internet waarbij bij het ontwerp al rekening is gehouden met de beveiliging, een nieuw internet dus. De kern daarvan vormt een nieuw internetprotocol met de secutiry ingebouwd id het IP-adres zelf en een nieuwe tweede level security dat gebruikt kan worden voor omgevingen die een eigen internet domein willen waar alleen de gebruikers met toegangsrechten gebruik van kunnen maken.

De eigenaar van het IP-protocol heeft dus een machtig wapen in handen met betrekking tot de toegang tot alle data wereldwijd en ik kan me voorstellen dat er heel wat partijen geïnteresseerd zijn in deze technologie die  eigenlijk het nieuwe beveiligingssysteem van de wereld zou kunnen worden genoemd.

Dat blijkt de Internet Engineering Task Force (IETF) te zijn (zie mission statement hierboven). De IETF heeft als doel: ‘Creating voluntary standards to maintain and improve the usability and interoperability of the Internet’ en hun belangrijkst middel is het uitbrengen van nieuwe versie van het Internet protocol en change management daarop. Ze zitten in Californie en de voorzitter hiervan is Alissa Cooper, werkzaam bij CISCO. De andere leden komen hoofdzakelijk van grote Amerikaanse IT bedrijven zoals van Oracle, Google, AT&T, Juniper en Dell: Amerikaanse bedrijven hebben dus een behoorlijk grote invloed op de ontwikkeling van het Internet.

De IETF heeft al in 1998 beslist een nieuwe IP-protocol, IPv6, te gaan gebruiken alleen is dat nog niet wereldwijd geïmplementeerd, wel zijn al de belangrijkste besturingssystemen (OS, Windows etc.)  aan dit nieuwe protocol aangepast, China loopt ten aanzien van de implementatie voorop. De belangrijkste wijziging van het protocol heeft betrekking op het feit dat als we zo doorgaan we snel door het aantal IP-adressen beschikbaar heen zijn. Met name het beschikbaar komen van ‘The Internet of Things’ zal er voor zorgen dat het aantal IP-adressen in de toekomst explosief gaat stijgen, IPv6 bevat 7.9×1028 meer IP-adressen als IPv4. Maar het gaat om meer dan dat, beveiliging is daar een belangrijk aspect van. De implementatie van IPv6 gaat overigens erg langzaam, in 2014 werkte 99% nog met IPv4 en van het huidige Google verkeer loopt momenteel 19,2% over IPv6 (status juni 2017). Versiebeheer blijft toch altijd een moeilijk dingetje in de IT sector en na 19 jaar iedereen nog niet over op je nieuwe versie is wel erg lang…

11. Het US Next Generation Interent programma (NGI).

Er is een pagina ‘Next Generation’ waarop een vermelding wordt gemaakt naar het US Next Generation Internet Program (NGI) van de Amerikaanse overheid dat als doel had de snelheid van het internet dramatisch te verhogen. Dit programma is gestart in oktober 1996 door President Bill Clinton in oktober 1996 en volgens Wikipedia in 2002 succesvol afgesloten. De webpagina van dit project (http://www.ngi.gov/) is niet meer in de lucht.

Op de huidige site van het Witte Huis onder Donald Trup kan ik niks terugvinden van zo’n project, wel is er recent een ‘Office of American Innovation’ opgericht onder leiding van Jared Kushner, doelstelling:

‘This office will bring together the best ideas from Government, the private sector, and other thought leaders to ensure that America is ready to solve today’s most intractable problems, and is positioned to meet tomorrow’s challenges and opportunities.  The office will focus on implementing policies and scaling proven private-sector models to spur job creation and innovation.’

Daar zou zo’n ‘Next Generation Internet’ project natuurlijk onder kunnen vallen maar een concrete aanwijzing daarvoor heb ik niet kunnen vinden en als ik de speech eerder deze week van Jared Kushner beluister richt hij zich voornamelijk op overheids automatisering, niks te vinden daar over Cybersecurity of de Cloud. Er is sowieso weinig te vinden over de activiteiten van de ‘Office of American Innovation’ op het internet, voor de meeste medewerkers van dit bureau is dit zo te zien een B-taak en van Jared Kushner zelf heb ik ik nog niet kunnen betrappen op een innovatieve visie op de toekomst van het internet.

12. het China Next Generation Internet programma  (CNGI)

Ondertussen werken de Chinezen rustig door aan hun eigen programma via het China Next Generation Internet (CNGI) programma (中国下一代互联网). Dit is een vijf jaar plan geïnitieerd door de Chinese overheid met als doel in de toekomst meer invloed te hebben op de toekomstige ontwikkeling van het internet, dat hebben ze nu dus blijkbaar niet. Om deze reden zijn ze bezig zo snel mogelijk over te gaan op het internetprotocol IPv6. Op dit moment is zo’n 1/3 van alle IP-adressen Amerikaans maar dat gaat in de toekomst natuurlijk veranderen vanwege het te verwachten grote aantal nieuwe Chinese gebruikers en daarop vooruitlopend is dat eigenlijk een slimme strategie: de basis van het Internet is nu eenmaal het IP protocol.

13. En wat doet Europa?

Op Europees niveau vond op 6 en 7 juni jongsleden in het Europees Parlement een interessante conferentie onder de titel ‘The NEXT GENERATION INTERNET SUMMIT’ plaats.

‘The Next Generation Internet Summit and related public campaign will support the European Commission to build a strategy together with heads of state, leading policy makers, renewed innovators, researchers and citizens to foster the development of the internet, as a powerful, open, data-driven, user-centric, interoperable platform ecosystem, for the benefit of companies and citizens.’

Wel een beetje laat om nu pas een strategie te gaan ontwikkelen voor het internet. Leg je de Amerikaanse doelstelling naast die van de EU dan zie je een duidelijk verschil in doelstelling. Bij de Amerikanen komt het woord ‘burger’ niet voor en gaat het om samenwerking tussen overheid, bedrijven en technologie leiders om ‘proven private-sector models’ op te schalen naar de overheid. De EU staat meer voor een open ‘old school’ internet op de manier zoals het internet destijds bedoeld was.

14. Hoe kan je dit oplossen?

Ik denk dat een digitaal probleem alleen maar door een digitale oplossing kan worden opgelost en dat de sleutel tot de oplossing het IP-adres is. Natuurlijk heb je ook organisaties en toezichthouders nodig om deze complexe digitale wereld te sturen maar aan de basis ligt de gebruiker die zelf bepaald hoe hij wil dat zijn security geregeld wordt en doe doe je niet door wegging of een gebruikersovereenkomst maar door hard coded aan de bron vat te keggen waar de data voor bedoeld zijn. Zo iets dus:

Privé: Privé informatie is alleen toegankelijk voor jezelf, familie en vrienden en mag niet buiten deze levenssfeer komen, dat moet door de codering gewoon af gedwongen worden, Denk aan WhatsApp, een besloten Facebookgroep of een eigen personal space.

Dossier: Dan heb je de overheid en publieke instellingen, zij moeten natuurlijk met jou kunnen communiceren vanwege de belastingen maar ook allerlei andere zaken die er in het verkeer tussen burger en overheid plaats vinden, hier zit bijvoorbeeld alles wat nu achter de DigID zit, je eigen public space dus.

Business: En dan heb je het domein van de business transacties, je koopt wat of verkoopt wat. Dan wil je alleen maar, na toestemming, inzicht geven in relevante informatie en net dat door deze bedrijven je hele doopceel gelicht wordt en al jouw persoonlijke informatie op straat ligt, je business space dus.

Bovenstaand schema gaat om de levenssferen rond een burger maar er moeten natuurlijk ook heldere domeinafbakingen zijn tussen bedrijven en publieke instelling onderling etc.. Veel van dit soort zaken zullen gekoppeld kunnen worden aan de juridische status zoals die bijvoorbeeld vast ligt bij de Kamer van Koophandel.

15. De digitale kluis, een fundamentele technische oplossing?

Solid is een project van Prof. Tim Berners-Lee, een van de bedenkers van het World Wide Web, en verbonden aan het MIT. Dit project heeft als doel de werking van web applicaties fundamenteel te veranderen zodat het eigendom van data en onze privacy geborgd worden.

Solid (de afkorting voor “social linked data”) bestaat uit een geheel van afspraken en tools die ons in staat stellen gedecentraliseerde sociale applicaties te bouwen: de ‘linked data principles’. Solid is modulair van opbouw en uitbreidbaar en zo veel mogelijk gebaseerd op bestaan W3C standaards and protocolen die destijds door Tim Berners-Lee mede zijn opgesteld. Dit zijn de belangrijkste elementen:

Op de website van solid wordt verwezen naar de StartUp Inrupt die als belangrijkste ambitie heeft het creëren, managen en beveiligen van jouw eigen personal online data store (POD) waarbij je zelf kunt bepalen wie er toegang heeft tot jouw data. “Personal empowerment through data” is een van de belangrijkste principes van Inrupt die een verdere technische uitwerking zijn van Solid en de bouwstenen ontwikkelen die ervoor moeten zorgen dat je vanuit het Solid principe webapplicaties kunt maken die gebruik maken van jouw eigen digitale kluis.

Met je eigen digitale kluis heb je dan volledige controle bent over je eigen data en met de webapplicaties kan je deze dan benaderen. Een mooie ambitie maar best wel ingewikkeld lijkt me en het zal nog moeilijker zijn een wereldstandaard te worden. De tools die nu op de Inrupt website staan zijn bijvoorbeeld een tool om Solid WebID Profiles te kunnen inzien, een Solid POD webbrowser en autorisatie app en een Solid POD app store, een een Sold schaak app, het is een begin!

Het mooie van het Internet is dat ontwikkelingen soms razendsnel kunnen gaan, wie nu marktleiders is kan morgen worden ingehaald door een nieuwe toetreder tot de markt, denk aan het verhaal van WordPerfect dat met een nieuwe versie van haar software kwam en toen door Word van de markt werd gedrukt. Degeen die nu met een goede digitale oplossing komt die aansluit bij de behoefte aan privacy uit de markt kan volgens mij rekenen op een succesvolle business.

16. Een nieuw taal voor Online Communication.

Onlangs heeft Mark Zuckerberg een visiestuk geschreven aan hij voorspelt dat het privé domein aan de gebruikerskant waarschijnlijk het hards gaat groeien omdat allerlei processen in de achtergrond tussen computers onderling en devices zonder menselijke interactie zullen gaan plaats vinden.

Facebook gaat zich helemaal richten op de online communicatie en gaat zijn platformen Facebook, Whatsapp en Instagram integreren, beter beveiligen en versimpelen. Beveiliging door codering, zoals dat nu al bij WhatsApp gebeurd, is daarbij een belangrijk aspect. ‘Privacy Focused Communications’ noemt Mark Zuckerberg dit en hiermee neemt hij afscheid van het open platform dat Facebook nu is. Best wel een grote verandering van scope voor Facebook en goed dat hij eindelijk de signalen van zijn gebruikers serieus neemt.

I believe the future of communication will increasingly shift to private, encrypted services where people can be confident what they say to each other stays secure and their messages and content won’t stick around forever. This is the future I hope we will help bring about.

Mark Zuckerberg – A Privacy-Focused Vision for Social Networking

Online communicatie, zoals ik het noem, wordt steeds belangrijker en wij als burgers beginnen steeds beter door te krijgen hoe dat werkt en wat de impact daarvan is. Daarbij wordt het steeds belangrijker de persoonlijke levenssfeer af te schermen en als gebruiker van digitale communicatie platforms te beseffen wat de impact van jouw gebruik is. Het Internet bestaat zo’n 15 jaar en we zitten nu nog in de leerfase hoe om te gaan met deze nieuwe manier van communiceren en als aanvulling op de directe communicatie, die overigens door deze nieuwe vorm zelf ook aan het veranderen is. Als het beeld dat je heb van iemand online niet klopt met de werkelijkheid heb je een probleem.

16. De relatie tussen AIM en BIM.

De hiervoor beschreven online communicatie is van invloed op alle domeinen omdat die allemaal gaan over communicatie tussen mensen, ongeacht het domein waarbinnen de communicatie plaats vindt. Per domein is er echter een verschillende management methode waarbij business Information Management de uitwerking van information management binnen het private domein is die het best is uitgewerkt (bijv. BiSL) waarbij onderdelen daarvan eveneens toepasbaar zijn binnen het publieke domein.

17. Conclusie

Mijn conclusie is dat de ontwikkeling van het Internet dominant bepaald wordt door een aantal, voornamelijk Amerikaanse IT bedrijven en dat zowel de politiek en dus wij burgers daar eigenlijk geen invloed op hebben terwijl door het vaststellen van de technische specificaties onze privacy en security door hen geregeld worden en dat gaat niet altijd goed omdat de burger, bedrijven en publieke instellingen nu eenmaal andere doelstellingen hebben.

Nu de overheid en bedrijven zo massaal gebruik maken van het internet zouden we ons daar meer bewust van moeten zijn en meer invloed moeten hebben op de wijze waarop dit alles geregeld wordt waarbij de oplossing niet alleen in regelgeving en toezichthouders moet worden gezocht maar ook in digitale oplossingen waarbij het voor de hand ligt ook te kijken naar de basis van het interent: het internet protocol en het IP-adres. Vanuit maatschappelijk oogpunt (privacy, geheimhoudingen, security en openbaarheid) is het wenselijk daarbij een heldere structuur aan te brengen die afgedwongen kan worden, nu is dat allemaal te vrijblijvend geregeld en daar hebben we allemaal last van.

We moeten als samenleving voorkomen dat de nieuwe generatie internet puur voor commerciële doeleinden marketing of technische doeleinden gebruikt wordt of zoals in China voor het onder controle houden van zijn burgers. Solid en Inrupt zijn daarbij goede initiatieven die potentieel de basis kunnen leggen voor een oplossing en die bedacht zijn door mensen die ook aan de (technische basis) van het Internet staan. Maar om dit probleem te kunnen oplossen gaat het niet alleen om techniek, een bredere context is hiervoor nodig want het heeft ook te maken met het maatschappelijk draagvlak en het besef dat deze ontwikkeling nodig is.

Het Agora Informatie Model (AIM) heeft als ambitie ons fundamenteel na te laten denken over de basis principes van de digitale samenleving en een verbinding te leggen met de filosofie en de politieke context die in grote mate bepalen hoe onze toekomst eruit gaat zien.

Voor meer informatie of het boeken van een lezing over dit onderwerp:

Gerard Geerlings – Lecturer Business Information Management

Gerard J. Geerlings Later B.V. | Leusderweg 217, 3818 AE, Amersfoort, The Netherlands
Mobile: ++31 (0)6 53 888 204 | E-mail: gerard.geerlings@gmail.com