Jeroen Wielaert’s roman ‘Oorlogsvrede’

Behalve dan den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan Jeroen Wielaert. Henk Mobach kwam met hem aanzetten in Café De Vriendschap aan ‘t Wed toen-i uit Veenendaal terugkwam waarbij Jeroen meteen de vraag op tafel gooide: ‘Hoeveel vrede hebben we nu eigenlijk, met dit soort oorlog overal?’ Ik heb het over 1975 en de heftige discussies die wij voerden op de vrijdagmiddag in onze stamkroeg met een biljart in het midden, dat overigens naar mij weten nooit gebruikt werd, en geen WC voor dames apart. Steevast hadden wij de laatste column van Piet Grijs en Renate Rubinstein in Vrij Nederland gelezen dus genoeg stof om het te hebben over het kabinet Den Uyl of het terrorisme van de RAF. 

Daarna volgde het uitwisselen van onze plannen voor het weekend, voorzover ze met ons beperkte budget realiseerbaar waren, waarbij ik meestal voor de goedkoopste optie koos: het aanschaffen voor een tientje aan ‘stuf’ bij een illegale handelaar ergens op een bovenwoning en dat bij Mobach op zijn zolderkamer oproken alvorens weer naar de kroeg te gaan (als het er overigens nog van kwam). Jeroen deed daar niet aan mee want die bleef meestal in de kroeg hangen, het echte leven speelde zich daar immers af. De Veenendalers namen mij af en toe mee naar hun jeugdhonk in hun woonplaats waar ik de meest fantastische concerten heb meegemaakt van Herman Brood, Gruppo Sportivo en Sweet d’Buster en Jeroen al fotograferend rondliep.

Met oud en nieuw ben ik een paar keer met Jeroen, Mobach en een aantal anderen in een oude Citroen DS met een kofferbak vol drank naar Terschelling gevaren, niet om ons om de mooie natuur te bekommeren maar om de Terschellingse kroegen te bezoeken, het is daar altijd erg gezellig in de kerstperiode. Op een gegeven moment besloten Jeroen en ik onder barre omstandigheden Paal 30 te bereiken, het meest oostelijke punt van Terschelling, zeg maar het einde van de wereld. Fietsend, wandelend en de laatste kilometers op blote voeten over krakend ijs bereikten we het eindpunt om daar gezamenlijk een heupfles Beerenburg soldaat te maken. Dat soort dingen deden wij dus, jongens waren wij, maar wel aardige jongens. 

Daarna ben ik Jeroen uit het oog verloren. Maar na een aantal jaren hoorde ik hem steeds vaker op de radio met zijn gedragen en sonore stem verslag uitbrengen over van alles en nog wat. Terwijl ik ingewikkelde boeken zat te bestuderen op mijn kamertje in Utrecht rapporteerde hij over de ontruiming van Amelisweerd, terwijl ik onderweg naar mijn volgende saaie IT-project in de file stond hoorde ik hem op de autoradio enthousiast achtergrond rapportages maken over de Tour de France en terwijl ik op de bank met schreeuwende kinderen om mij heen naar het vallen van de muur zat te kijken was Jeroen natuurlijk al lang ter plaatse voor een sfeerimpressie. En natuurlijk is hij altijd aanwezig bij het Boekenbal, de uitreiking van de Libris literatuurprijs in het Amstel Hotel tussen al die beroemde schrijvers of bij Pinkpop Bruce Springsteen aan het interviewen en zit hij, terwijl ik in mijn keuken dit stukje zit te typen, op Terschelling een rapportage te maken over Oeral. Zucht…

En dan nu een echte roman van zijn hand, ‘Oorlogsvrede’, 299 pagina’s diep en uitgegeven door De Arbeiderspers en met een fraaie jaren zestig omslag. Het boek bestaat uit drie delen: het eerste gaat over onze generatie die opgroeide na de Tweede Wereldoorlog en na de roemruchte jaren zestig die we net niet bewust hebben meegemaakt maar onze oudere broers en zussen wel. Heel herkenbaar. Het tweede gedeelte gaat over de Tweede Wereldoorlog en wat zich allemaal afspeelde in de beslotenheid van een onderduikers huishouden en de impact die dat ook decennia na de oorlog nog heeft en het laatste deel beschrijft het verhaal achter het verhaal, de eeuwig durende zoektocht naar onze roots. Terwijl ik de roman las dacht ik dat Jeroen een goed verhaal had bedacht maar al lezende kwam ik er tot mijn verrassing achter dat dit familieverhaal echt gebeurd is, de werkelijkheid is soms ontroerender dan je kan verzinnen. Dat voegt een interessante dimensie toe aan dit boek en geeft het verhaal diepgang, marketing technisch zou je daar wat meer mee moeten doen Jeroen. Ik heb het boek dan ook geboeid in twee dagen uitgelezen en wilde na elk hoofdstuk weten wat er in het volgende gebeurde.

Dit wordt verstrekt door het veelvuldig toepassen van dialogen en dat maakt het boek extra sterk, geen lange beschrijving maar indringende dialogen tussen echte mensen. Hoewel ik begrijp dat Jeroen dit boek in de beslotenheid van zijn geheime landgoed heeft geschreven is Jeroen toch in eerste instantie de journalist die in de kroeg, terwijl hij met anderen aan het discussiëren is, een paar notities op de achterkant van een bierviltje maakt, en daar daarna een mooi verhaal of project van weet te maken. Ik kwam hem laatst nog tegen terwijl ik in Utrecht van het station naar mijn saaie werkplek op Oudenoord liep vlak voor het muziekcentrum Vredenburg, hij op de fiets op het drukste fietspad van Nederland en ik wachtend om te kunnen oversteken, ‘Hééé Gerard’ riep hij, en hij was alweer op weg naar een nieuwe afspraak in een of andere Utrechtse kroeg, waarschijnlijk voor een diepte interview, Café De Vriendschap bestaat niet meer dus daar zal het vast niet geweest zijn. 

De Rijn bij Rhenen is sedert naar het Westen blijven stromen en de mensen zijn blijven voorttobben. Ook de zon komt nog op en iedere avond krijgen wij van Jeroen het Nieuws van den Dag nog. Zijn bestemming in Friesland is mij altijd onopgehelderd gebleven.