Friedrich Nietzsche ‘Hoe iemand wordt wat hij is’

1.

Op mijn 19e studeerde ik Psychologie in Utrecht en volgde colleges bij de inspirerende wetenschappelijk medewerker drs. Leo Pannekoek die zich eind jaren zeventig vooral bezig hield met buitenzintuiglijke waarneming, helderziendheid en de verruiming van de geest. Zo kan ik me een sessie herinneren in de tuin van het Psychologisch laboratorium aan de voet van de dom in Utrecht waarbij wij allemaal op het gras zaten en zijn gast Simon Vinkenoog ons vertelde over de positieve invloed die marihuana heeft op ons welzijn en denken. 

Tijdens een van onze sessies vroeg ik Leo wat hij van Friedrich Nietzsche vond. Bij het noemen van diens naam ontstak Leo in woede en verbood ons iets van deze negatieve geest te lezen. Het lezen van zijn werk had alleen maar een negatief effect op ons en hij kende genoeg gevallen van studenten die daardoor ernstig te leiden hadden gehad onder depressies en zelfs onder invloed van zijn werk zelfmoord hadden gepleegd. Een verboden auteur dus die je het best links kon laten liggen, de beste reclame die je kunt maken voor zijn werk onder ons, opstandige jaren-zestig jeugd. Leo Pannekoek blijkt overigens nog te leven en houdt zich tegenwoordig vooral bezig met de astrologie.

Naar aanleiding hiervan kocht ik toen mijn eerste boek van Friedrich Nietzsche, ‘Jenseits von Gut und Böse‘. Ik ben daaraan begonnen maar al snel weer gestopt vanwege de ontoegankelijkheid. Veel te moeilijk om zonder goede kennis van de filosofie en het Duits te doorgronden. Daarna heb ik nog wel eens een poging gewaagd maar dat was steeds vergeefs. Wel ben ik in de loop der jaren zijn naam vaak tegengekomen in boeken en tijdschriften en nam ik mij voor me weer eens in hem te verdiepen. 

Vandaag een eerste stap gezet door de pas vertaalde biografie ‘Ik ben dynamiet’ van Sue Prideaux aan te schaffen over het leven van Nietzsche bij Broese Boekverkopers op een steenworp afstand van de dom waar ik destijds die sessie met Leo Pannekoek had. Daarna snel naar de dichtstbijzijnde Starbucks gelopen en onder het genot van een flat white meteen gaan lezen. De eerste bladzijde doen je meteen verlangen naar meer; een geweldige biografie van Sue Prideaux die Nietzsche toegankelijk heeft gemaakt voor een breder publiek.

Maar alvorens verder te gaan, wat weet ik eigenlijk van Nietzsche en waarom boeit hij me zo? Allereerste het verhaal van het paard dat hij zag lijden onder de zweepslagen van zijn baas waardoor Nietzsche brak. Een fantastisch beeld dat blijft hangen van een emotioneel mens die de gewone wereld niet begrijpt maar wel een enorme drang heeft om die te willen begrijpen en dan uiteindelijk krankzinnig wordt. Wellicht dat Leo Pannekoek daar toen aan dacht: te veel denken kan gevaarlijk zijn! Dit verhaal zeg blijkt overigens niet te kloppen maar het gecreëerde beeld vast wel. 

Daarnaast zijn er veel andere elementen die mij aanspreken zoals zijn band met Wagner, zijn reizen, zijn wandelingen in de bergen, zijn verhouding tot het gedachtegoed van Hitler etc.. Nietzsche schreef zijn werk vlotjes en in een relatief korte maar productieve periode en werd aan het eind van zijn leven krankzinnig. Er zijn veel theorieën of dat kwam door zijn denkbeelden die hem tot waanzin dreven of door een ziekte die hij onder de leden had. Dat maakt natuurlijk voor zijn werk niet uit maar het is wel opvallend dat Nietzsche voor sommige mensen een inspiratiebron is en voor anderen zoals mijn docent Leo Pannekoek de kwade genius die zelfs het bestaan van God ontkent.

De vraag die je dan, naar aanleiding van zijn werk, kunt stellen is of veel nadenken op den duur leidt tot meer inzicht en uiteindelijk verlichting of juist tot chaos in het hoofd en uiteindelijk krankzinnigheid. En welke condities bepalen of het bij jou de eerste of tweede variant wordt? Of is er ergens onderweg een kantelpunt waarbij je van het juiste pad af gaat en de duistere wereld van het ‘niet denken’ betreedt? Allemaal vragen die bij me opkomen, wellicht kan ik er een paar beantwoorden als ik me meer in hem ga verdiepen, maar nu eerst maar die biografie van Sue Prideaux lezen.

2.

Het is interessant te lezen met wie destijds Nietzsche omging (bijv. Wagner) en welke invloed het werk van andere denkers op zijn eigen werk had (bijv. Schopenhauer). Het intellectueel klimaat van zijn tijd maakte het voor Nietzsche mogelijk zijn eigen gedachten te vormen als reactie op wat al die denkers voor hem al hadden gedacht.

Nietzsches vader was predikant en Nietzsche is zelf heeft lang overtuigd geweest van het feit dat hij zijn vader daarin zou opvolgen maar zijn denken bracht hem op een ander spoor. Van grote invloed op zijn denken was daarbij de Duitse filosoof en dichter Friedrich Hölderlin wiens werk hij las op zijn zeventiende tijdens zijn studie, een citaat van hem uit de biografie:

‘O jullie ongelukkigen die dit voelen, die ook niet spreken willen van de menselijke bestemming, die ook zo door en door in de greep zijn van het niets dat ons regeert, zo diep ervan doordrongen dat wij voor niets geboren worden, dat wij houden van een niets, geloven aan het niets, ons afsloven voor niets, om geleidelijk over te gaan in het niets- wat kan ik eraan doen dat jullie knieën breken als jullie er serieus bij stilstaan?’

Als je nadenkt over een wereld zonder god kom je vanzelf op het niets en de vraag wat ons mensen ons er toe aanzet vredig naast elkaar te leven als er geen god is. Als ons bestaan alleen maar een intermezzo is op aarde tussen conceptie en de onvermijdelijke dood helpt het om te denken dat er daarna nog iets is dat in relatie staat tot hoe je hier geleefd hebt. Zonder dat doet de moraal er niet toe en maakt het niet uit hoe je leeft. Nietzsches werk is vooral een zoektocht om tot een zinvolle invulling van een leven zonder god te komen. Daarmee gaat hij een stap verder dan de door hem zo bewonderde Friedrich Hölderlin die stelde; ‘Alleen te zijn, zonder de goden, dit – dit is het, is de Dood.

Ik denk dat iedereen hier wel eens over nadenkt, de basisvraag ‘wat is de zin van het leven?’ Voor mensen die geloven simpel te beantwoorden maar voor ongelovigen een uitdaging.

3.

Even een uitstapje voor ik mijn dodelijk zoektocht vervolg. Ik zat te lezen over de dualiteit tussen het apollinische en en het dionysische waarbij het apollinische staat voor de schilderkunst, architectuur en dromenland van de morele rationele mens (de voorstelling) terwijl het dionysische staat voor de muziek en de tragedie en de wereld van de buitengewone ervaringen van de mens die zijn existentiële grenzen overschrijdt (de wil). Het apollinische wordt uitgedrukt door de taal – die zo zijn beperkingen heeft – terwijl het dionysische uitgedrukt wordt door de muziek en het theater – die rechtstreeks binnenkomt voor wie daartoe ontvankelijk is. Nietzsche schreef wel muziek maar van en zeer matige kwaliteit en kon zich niet meten aan Wagner die de weg naar het hert rechtstreeks had gevonden.

Nadat ik hierover had gelezen in het café ‘Het Gegeven Paard’ in Utrecht liep ik terug naar het station, zette mijn koptelefoon op en luisterde naar Wagner’s Ring. Inderdaad, dacht ik toen, dat gevecht tussen wil en voorstelling win je niet door stukjes te schrijven over filosofische onderwerpen, de taal heeft per definitie zo zijn beperkingen. Nietzsche begon destijds aan een bij voorbaat verloren zaak en dat wist hij waarschijnlijk donders goed omdat hij Wagner’s muziek gehoord had. In de trein splitste de wereld van de treinreizigers zich van mij af en zag ik de weilanden aan mij voorbijtrekken op de muziek van stromende beken, drijvende zwanen en langzaam dooiende gletsjers.

4.

Nietszche begon zijn carrière al op jonge leeftijd als professor in de filologie in Basel. De filologie, en samenvoeging van het Griekse Φιλος, philos: “liefde” en het Griekse λογος logos: “woord, rede”) richt zich vooral op de bestudering van dode talen, dus het werk van anderen. Dat ging Nietzsche op een gegeven moment tegen staan en in plaats van te lezen wat anderen dachten wilde hij zelf gaan denken en switchen van de filologie naar de filosofie.

Zijn eerste boeken werden echter haast niet gelezen, zijn debuut ‘De geboorte van de tragedie’, had een oplage van 800 exemplaren en werd de eerste zes jaar maar 625 keer verkocht. Aan dit boek werd destijds in de kranten en tijdschriften door de recensenten geen aandacht besteed en daar had hij zwaar onder te leiden. Nietzsche schreef om gelezen te worden en de lage verkoop van zijn boek, de weinige belangstelling voor zijn filologie colleges in Basel en het ontbreken van aandacht voor zijn werk waren voor hem een grote teleurstelling.

Elke schrijver wil uiteindelijk gelezen worden en vindt het fijn als hij feedback krijgt van zijn lezers. De grote stilte die Nietzsche ondervond na zijn eerste filosofische werken moeten hem het gevoel hebben gegeven dat zijn geniale gedachten in het niets oplosten. Van geen van zijn boeken is tijdens zijn werkzame leven meer dan 2.000 verkocht. Je hoeft je gedachten natuurlijk niet op te schijven en kunt ze ook voor je houden maar op het moment dat je ze opschrijft en een uitgever zoekt wil je juist dat dit gelezen wordt. Een geniaal idee dat in je brein blijft is heeft alleen voor jezelf waarde.

Ik ken dat gevoel, ik schrijf al jaren online, nooit iets aan de marketing van mijn website gedaan, inmiddels meer dan 200.000 bezoekers en meer dan 1.6 miljoen bezoeken en heel zelden krijg ik daarop een reactie. Toevallig vertelde een student mij deze week dat hij i.p.v. te studeren een hele avond op mijn site had zitten lezen en alles machtig interessant vond maar dat is toch echt een uitzondering. Net als Nietzsche twijfel ik dan ook af en toe over het nut van al dit geschrijf: kloppen die statistieken wel, zijn het wellicht ‘bots’ die mijn website bezoeken, durft niemand te zeggen dat ik onzin verkoop, lopen de zinnen niet lekker en zitten er volop taalfouten in mijn schrijfsels?

Die aandacht komt nog wel, denk ik dan, bij Nietzsche heeft het ook even geduurd. In 1888, vlak voor zijn dood in1888 schreef Nietzsche vlak voor zijn geestelijke ineenstorting zijn meest toegankelijke werk ‘Ecce Homo’ met de ondertitel ‘Hoe iemand wordt wat hij is’. Een kwestie van doorzetten dus en simpeler gaan schrijven.

5.

Een paar andere interessante gedachten van Nietzsche:

  • in navolging van Schopenhauer vond Nietzsche dat een alleen vrijheid een genie kan bevrijden, d.w.z.: alleen een filosoof die niet verbonden is aan een instituut kan met enige authenticiteit denken. Als je eerste een aantal jaren je flink verdiept hebt in andere filosofen ben je minder oorspronkelijk dat iemand die zelfstandig denkt en zijn eigen weg gaat. Het lezen werk van anderen is het ‘luisteren naar andere ikken’ en maakt het lastiger zelf te denken.
  • Nietzsche had een bloedje hekel aan religie en drank, beide zaken die de geest benevelen en het vrije denken in de weg staan. Het aanhangen van een religie leidt niet tot oorspronkelijk denken en een beneveld brein is weliswaar plezierig maar vooral een persoonlijke ervaring die niet altijd tot grootse gedachten leidt. 
  • Daarbij is denken niet alleen een bezigheid van het brein maar ook van het lichaam, lichamelijke inspanning is goed voor de mens en stimuleert het denken.
  • Tevens was Nietzsche zich ervan bewust dat je als filosoof en kunstenaar niet het meest productief bent onder ideale omstandigheden. Tegenslag werkt beter om tot mooie gedachten te komen dan een overdaad aan gelukkige omstandigheden. Er kan alleen iets moois ontstaan als je eerst door een diep dal bent gegaan.

6.

Terwijl ik dit over Nietzsches las bezocht ik een tentoonstelling over David Hockney in het van Gogh museum in Amsterdam. Eerst even over Van Gogh, Van Gogh (1853-1890) en Nietzsche (1844-1900) waren tijdgenoten en hebben een paar dingen gemeenschappelijk. Beide hadden op latere leeftijd last van angststoornissen en eenzaamheid veroorzaakt door een onbekende ziekte en zochten, om inspiratie op te doen voor hun werk, hun heil in de natuur en niet bij de mensen om zich heen. Uit de brieven van Vincent aan Theo maar ook uit het werk van Nietzsche komt hetzelfde beeld naar voren: door iets te creëeren konden ze even ontsnappen aan de psychische en lichamelijk stoornissen waar ze onder leden. Zoals David Hockney in een interview te zien in het van Gogh museum mooi zegt: de donkere kant van het leven verdwijnt als je iets moois aan het creëren bent.

Overigens heb ik bij Hockney en bij veel andere moderne kunstenaars niet het gevoel dat existentiële angst de basis is voor hun inspiratie. Maar net als Nietzsche en van Gogh zoekt Hockney zijn inspiratie in de natuur en verdwijnt de mens op een gegeven moment uit zijn werk. Nieuw bij Hockney is het gebruik van de iPad, volgens Hockney had van Gogh die vast ook gebruikt als hij nu nog had geleefd, dat ben ik niet zo zeker van. Hockney is een man van deze tijd en weet handig gebruik te maken van moderne marketing-technieken en de social media om zijn werk te promoten, daar waren van Gogh en Nietzsche zeker niet goed in geweest. Maar wat beide wel met Nietzsche gemeen hebben is dat ze goed kunnen kijken naar de natuur en het ritme van de seizoenen waarvan zij beseffen dat ze er maar een beperkt aantal van mogen meemaken.

7.

Volgens mij kan je kunst die grote groepen mensen aanspreekt, zoals het werk van van Gogh of Hockney, zien als een (on)-bewuste uiting van filosofisch denken. Waar de filosofie gebruik maakt van woorden uiten kunstenaars zich door middel van schilderijen, muziek en beelden en, zoals Hockney, ook gebruik makend van moderne digitale technieken. Kunstenaars zijn de de voelsprieten van onze samenleving, hun sensitiviteit is de bron voor het maken van kunst en de bewuste of onbewust uiting van wat er in de samenleving speelt en waar wij binnenkort allemaal mee te maken krijgen, of we dat nou willen of niet. Nietzsche deed dat ook, hij heeft een aantal onderwerpen op de agenda gezet die nu nog steeds spelen, denk bijvoorbeeld aan zijn stelling dat God dood is, daar wordt nu nog steeds over gedebatteerd.

8.

Aangekomen bij de universele eenzaamheid van Nietzsche, ciitaat:

‘ Heel mijn leven is onder mijn ogen aan diggelen gegaan: heel dit akelige verborgen leven, dat elke zes jaar een stap voorwaarts doet en verder eigenlijk helemaal niets voorheeft dan die ene stap; terwijl al het andere, al mijn menselijke relaties, met een masker van mij van doen hebben, en ik mijzelf altijd maar daarvoor moet opofferen, en een volstrekt verborgen leven leidt. `Ik ben steeds weer ten prooi gevallen aan de wreedste toevailligheden – of veeleer: ik ben het die van alle toevallgheden gruweldaden heeft gemaakt.’

Kern van dit citaat is toch wel dat het leven je overkomt, de ander nooit zal doorgronden wie je eigenlijk bent en dat je, ondanks al je inspanningen, maar weinig progressie maakt. En dat je daar zelf schuldig aan bent: jij leidt immers een verborgen leven, zet een masker op en maakt van alle toevalligheden die je overkomen gruweldaden. De vraag is dan echter wel of alles beter zou gaan je dat laatste allemaal niet zou doen, per saldo maakt het immers niet uit wat je doet want het resultaat van al je inspanningen blijft immers altijd beperkt. Deze gedachtenkronkels van Nietzsche leveren al met al geen vrolijk perspectief op.

9.

Waar andere filosofen veel aandacht besteden aan de rol van emoties en de invloed die deze hebben op ons denken en handelen spreekt Nietzsche vaak over onze vermogens die bepalen of we kunnen realiseren wat we willen bereiken. Wat we willen is daarbij niet een keuze: ‘Ik heb nooit een vrije keuze gehad’ en ”toen nam mijn instinct een besluit’. Wat Nietzsche wil is dus een gegeven (het zijn) en door naar zichzelf te luisteren en niet naar anderen komt hij er achter wat het is wat hij wil. Daarbij is volgens hem de drijfveer voor mensen onze zelfzucht en scheppingswil die richting geven aan het doel of eindpunt dat we beogen en onze afzonderlijke kwaliteiten en bekwaamheden (vermogens) zijn het middel waarmee we dat kunnen realiseren; ‘alle zijn wil hier woord worden, alle worden wil van jou leren spreken’.

Belangrijke vermogens zijn voor hem bijvoorbeeld distantie, de kunst te schieten, zonder vijandschap zaaien, niets vermengen, niets verzoenen. Allerlei kwaliteiten dus die richting geven aan het handelen en rode scheppen in de chaos die zou ontstaan zonder deze vermogens. Dat doet met denken aan Martha Nussbaum die het ook heeft over ‘capabilities’ en eveneens richtlijnen zijn voor een goed leven hoewel in haar werk de basis bij emoties ligt en de vermogens van een mens in de toepassingssfeer vaan het handelen.

Nietzsche maakt daarbij in Ecce Homo de vergelijking met de scheppingswil vaan de beeldhouwer die in een beeld al het beeldhouwwerk ziet en het alleen nog maar hoeft te bevrijden van de rest van het steen. Net zo goed is de filosoof de kunstenaar van het gezond instinct dat de weg wijst hoe het doel of idee dat we nastreven bereikt kan worden.

10.

In het laatste hoofdstuk van Ecce Homo, ‘Waarom ik een noodlot ben’, stelt Nietzsche zich de vraag: ‘Heeft men mij begrepen?’ Het antwoord daarop kan hij natuurlijk niet zelf geven en is ook niet makkelijk te beantwoorden. Wel stelt hij dat wat hem doet onderscheiden van de rest van de mensheid het blootleggen van de christelijke moraal is die millennia lang de heersende moraal is geweest. Onze blindheid ten aanzien van de werkelijke aard van het christendom is de misdaad tegen het leven zelf. De christen was tot nu toe het ‘morele wezen’ en de christelijke moraal een boosaardige vorm van de ‘wil tot liegen’ die de mensheid heeft bedorven. Als voorbeelden hiervan geeft hij het leren verachten van de levensinstincten, het verzinnen van een ‘ziel’ of ‘geest’ om het lichaam ten schande te maken, het beschouwen van de geslachtelijkheid als iets onzuivers en het in de noodzaak tot ontplooiing het principe van het kwaad zoeken.

De ‘zelfverloocheningsmoraal’ van het christendom, die ‘verontpersoonlijiking’ en ‘naastenliefde’ verkondigt, ontkent in haar diepste wezen het leven en verraadt een drang naar het einde. De rol van de geestelijkheid is daarbij parasitair, door het verkondigen van de christelijke moraal liegen zij zichzelf omhoog tot bepaler van de waarden en worden zij een middel tot macht. Dat geldt niet alleen voor de priesters maar ook voor bijvoorbeeld leraren en andere leiders die de mensheid alleen decadente waarden als hoogste waarden aanleren. De moraal definieert Nietzsche dan ook als de idiosyncrasie (=eigenschap) van decadenten met de bedoeling zich op het leven te wreken.

Tegenover de decadenten, die tot de rang van de hoogste soort zijn opgeklommen, staat de sterke en in het leven gewortelde mens die de realiteit ziet zoals die is, sterker nog, ze is die realiteit zelf inclusief en heeft al het vreeswekkende en problematische. Pas na dit doorleeft te hebben kan de trotse en geslaagde, ja-zeggende mens grootheid hebben. Dit type mens, de ‘Übermensch’, is volgens Nietzsche, bovenmenselijk omdat dit type mens de christelijke moraal van de decadenten als onder zijn niveau ervaart. Alle denkers voor Nietzsche stonden altijd ten dienste van de christelijke moraal. Het noodlot van Nietzsche is nu dat hij de eerste is die dit heeft doorzien waardoor hij de anderen, die dit niet eerder hebben bedacht, is gaan verachten: ‘De afkeer van de mens is mijn gevaar’.

Nietzsche is dus, zoals hij zelf stelt, het kantelpunt in de geschiedenis: je hebt denkers voor hem en na hem en iedereen na hem zal rekening moeten houden met zijn analyse van de christelijke moraal. Nietzsche was er van overtuigd dit nieuwe gezichtspunt een enorme impact zou hebben op ons denken (dynamiet) en de mens zou bevrijden van de last van christelijke moraal. Als dat werkelijk zo zou zijn zou er ondertussen een nieuwe moraal moeten zijn opgestaan die hoger op de morele ladder zou staan dan de christelijke. Dat heb ik echter nog niet waargenomen. Het zijn nog steeds de dominee’s en priesters, de politici en de maatschappelijke elite die onze moraal en waarden bepalen die ze zelf niet naleven. Op de een of andere manier gaat de realisatie van de wil tot macht blijkbaar altijd gepaard met parasitair gedrag.

11.

Inmiddels de biografie ‘Ik ben dynamiet’ van Sue Prideaux en ‘Ecco Homo’ uit en mijn beeld van Nietzsche is behoorlijk gekanteld. Ik dacht dat Nietzsche vrij ontoegankelijk was maar dat valt best wel mee en veel zet aan tot zelf nadenken over wat hij te zeggen heeft. Wat mij opviel is dat Nietzsche in staat is zijn eerdere denkbeelden ter discussie te stellen en bijstelt als hij dat nodigt is. Ook moet hij een scherp observeerden van andere mensen zijn geweest want alleen door in de bergen te lopen en na te denken kom je niet tot conclusies over menselijk gedrag. Inmiddels door Nietzsche geïnspireerd om Schopenhauer te gaan lezen en en die bracht me weer op het spoor van Kant waarvan ik inmiddels ook een boek klaar heb liggen.

Ik dacht gedacht dat het lezen van Nietzsche me iets over de toekomst zou vertellen maar dat is dus juist niet het geval: mijn reis gaat juist terug in de tijd.