Rosa Luxemburg: ‘Vrijheid is altijd de vrijheid voor de andersdenkenden’

In 2015 kondigde de Chinese president Xi Jinping aan dat in 2020 alle 1.4 miljard Chinezen boven de armoede grens zouden leven, d.w.z. dat ze meer dan $416 per jaar zouden verdienen, $1.10 per dag. De maatstaf van de World Bank is $1.90 per dag ofwel $700 per jaar. Daar zitten de Fransen flink boven daar ligt het bijstandsniveau, de RSA (revenu de solidarité active) op €513.88 voor één persoon per maand en op €770,82 voor een echtpaar. Lager dan in Nederland maar toch altijd per maand meer dan voor een heel jaar in China.

Toch is een groot gedeelte van de Fransen behoorlijk ontevreden over hun inkomenssituatie zoals we al lange tijd merken door de protesten van de gele vestjes beweging aldaar, gisteren gingen de 23ste keer op rij in Parijs de straten op om te protesteren. Deze week was de opkomst massaler dan ooit nadat de Franse president Macron in korte tijd honderden miljoenen bij elkaar had weten te krijgen voor de restauratie van de Notre Dame terwijl de Franse regering niet ingaat op de eisen van de demonstranten dat hun loon te laag is. En dan hebben we het niet over de hoogte van de bijstand of de werkloosheidsuitkeringen maar om de lonen van mensen die werken.

Er heerst veel onvrede onder de massa in Europa zoals dat tot uiting komt in Frankrijk bij de ‘gilets jaunes’, zoals de gele hesje daar genoemd worden, maar ook onder de Brexit voorstanders in de UK of bij de rechts populistische partijen in Duitsland, Italië of Nederland. Friedrich Nietzsche introduceerde in zijn eerste boek ‘Zur Genealogie der Moral’, dat uitkwam in 1887, het begrip ressentiment. Ressentiment definieerde hij als een afgunstige emotie die de machtelozen voelen ten opzichte van de machtigen, maar die vervolgens creatief wordt: rensentiment zet de machtelozen aan tot het bedenken van een alternatief universum waarin zij de macht hebben en ‘imaginaire wraak’ nemen op de machthebbers door nieuwe waarden te vormen en de waarden van de machthebbers te devalueren. Door zich te verenigen creëren ze hun eigen waardenrangorde waarin het sterke wordt gediskwalificeerd en het zwakke opgewaardeerd.

Deze week was ik bij een lezing in de bibliotheek van Baarn van Joke Hermsen over haar pas verschenen essay ‘Het tij keren’ waarin zij de opkomst van de ‘gilets jaunes’ in Frankrijk bespreekt aan de hand van het werk van Rosa Luxemburg en Hannah Arendt. Naar aanleiding van de vraag wat mensen aanzet tot actie citeert Hermsen Rosa Luxemburgs pamflet ‘Massa staking’ uit 1905 dat de massa zelden op oproepen van partij- en of organisaties in beweging komt maar pas spontaan tot acties overgaat als de gevoelens van rechtvaardigheid te langdurig zijn gekrenkt en het verzet ertegen als het ware in eens ontbrandt. Politieke acties moeten uit de wil en daadkracht van de bevolking komen omdat zijn alleen dan uiting geven aan politieke vrijheid en kans van slagen hebben.

Hannah Arendt was een groot fan van Rosa Luxemburg en deelde haar analyse. In haar boek ‘On revolution’ uit 1963 vergeleek ze de Franse en de Amerikaanse revolutie met elkaar en schrijft ze naar aanleiding van de Parijse Commune, die in 1871 met veel geweld door het leger van Napoleon werd neergeslagen, dat het deze commune niet alleen om de bevrijding van nood en armoede ging maar ook om vrijheid van politiek handelen. Volgens Arendt hebben alleen opstanden die niet slechts om economische bevrijding gaan maar ook om politieke vrijheid kans van slagen: alleen aanpassingen aan het systeem kunnen immers leiden tot wezenlijke veranderingen in de levenssituatie van degenen die in armoede moeten leven.

De vraag blijft welke factoren een opstand succesvol doen zijn, het kan immers ook mis gaan, zie de Parijse Commune. En als een opstand wel slaagt, hoe gaat dat dan verder? Lukt het de opstandelingen dan een betere situatie voor iedereen te creëren of staan er dan weer nieuwe machtigen op die andere machtelozen gaan onderdrukken? Zo is het immers in het verleden maar al te vaak gegaan. De belangrijkste randvoorwaarde daarvoor is volgens zowel Rosa Luxemburg en Hannah Arendt toch wel de politieke vrijheid je te kunnen uiten, als dat niet kan dan heb je echt een probleem. Vrijheid van meningsuiting, vergadering, demonstreren, het vormen van politieke partijen etc. vormen de basis waarop verandering in het bestel mogelijk zijn en als die onderdrukt worden heb je een probleem als machteloze. Zoals Rosa Luxemburg schreef: ‘Vrijheid voor alleen de aanhangers van de regering en de leden van de partij is geen vrijheid, vrijheid is altijd de vrijheid voor de andersdenkenden’.

Joke Hermsen wijst daarbij op de gevaren voor de democratie van de digitalisering van de samenleving en het grootschalig indringen in het privédomein van de burgers door de overheid en het bedrijfsleven die een inbreuk is op onze privacy en door de machthebbers gebruikt kunnen worden om onze burgerlijke vrijheden te beperken. Ze refereert naar het recent verschenen boek The age of surveillance capitalism’ van Shoshana Zuboff uit 2019 waarin ze wijst op het zonder toestemming van de burger en enige democratische controle gebruiken van onze gegevens voor politieke en commerciële doeleinden. Dit surveillancekapitalisme ondermijnt onze rechtsstaat en democratie en heeft als doel ons leven volledig te digitaliseren en te automatiseren.

Gelukkig wordt het debat hierover in Europa gevoerd en hebben we het hier in Nederland wat dat betreft best goed voor elkaar, dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld China waar het digitale overheidstoezicht al heel ver gaat. Toch gebeuren er hier af en toe ook zaken die ons recht op vrije meningsuiting in gevaar brengen. Zo hoor je sommige publicisten of schrijvers af en toe zeggen dat ze bepaalde onderwerpen schuwen omdat ze dan te veel negatieve reacties krijgen, zelfcensuur dus. Joke Hermsen pleit dan ook voor meer publiek debat in de publieke ruimte waarin iedereen kan zeggen wat hij of zij denkt, gelukkig gebeurd dat genoeg in Nederland zoals bleek na afloop van de lezing van Joke Hermsen in Baarn.

De democratisering van onze informatievoorziening

Ik las laatst over het ‘twee-in-een principe’ van Hannah Arendt: d.w.z. ‘onze innerlijk dialoog met onszelf waardoor iedereen zichzelf de maat neemt en een brug slaat tussen ons innerlijke en het openbare leven van de mens’. En die brug tussen ons innerlijk en openbaar leven krijgt vorm door ons handelen.

Een mooi beeld is dat: de brug tussen ons innerlijke en het openbare leven. Wat dieper nadenkend over de definitie van wat ons ‘openbare leven’ kom ik tot de conclusie dat de reikwijdte van ons openbare leven de laatste jaren behoorlijk veranderd is. Beperkte vroeger ons openbare leven zich tot gezin, werk, kerk en/of kroeg, tegenwoordig speelt ons openbare leven zich niet alleen af in de fysieke werkelijkheid maar ook in toenemende mate online, veel mensen besteden geheel vrijwillig hun tijd aan het internet en sociale media waardoor ons openbare leven een veel groter bereik heeft gekregen.

Je kan de impact van het internet denk ik goed vergelijken met de impact van de uitvinding van de boekdrukkunst rond 1454 door Laurens Janszoon Coster en/of Gutenberg. Luther zouden nooit zo succesvol zijn geweest als hij zijn reformatorische stellingen niet via boeken had kunnen verspreiden en hetzelfde geldt bijv. voor Erasmus met betrekking tot het humanisme. Natuurlijk was er veel weerstand van de gevestigde orde tegen bepaalde boeken maar het boek, eenmaal uitgevonden, bleek het hardnekkig te blijven bestaan en in verboden vorm des te aantrekkelijker om te lezen.

Cruciaal was dat door de boekdrukkunst de geestelijkheid haar monopolie op informatietoegang en de lees- en schrijfkunst verloor. Hierdoor kreeg met name de intellectuele elite (wetenschappers, schrijvers, journalisten, politici, kunstenaars etc.) toegang en kwamen er uitgeverijen, tijdschriften en kranten die als poortwachters bepaalden wat wel of niet gepubliceerd werd, je kan dus stellen dat door de boekdrukkunst het monopolie verschoof naar de intellectuele elite.

En dan nu de internet revolutie die kan worden gekenmerkt als de volledige democratisering van de informatietoegang. Iedereen heeft tegenwoordig toegang tot het internet, kan een boek schrijven, dit op internet publiceren of zelf een website beginnen en daar alles op zetten wat men wil, hoe onbenullig ook. Met name door het ontstaan van ‘social media’ heeft deze democratisering van de informatietoegang een enorme boost gekregen en tegelijkertijd een nieuwe dimensie toegevoegd aan ons openbare leven.

Ons openbare leven wordt met de nieuwe mogelijkheden van het internet niet alleen meer gevormd door het rechtstreeks handelen tussen mensen maar nu ook met iedereen in de digitale wereld waarin je online actief bent. Een ontwikkeling die nog maar net begonnen is en waarvan commerciële partijen de eigenaar zijn en we de impact nog niet goed kunnen overzien. Natuurlijk weten we dat er impact is op onze privacy, inlichtingendiensten alles kunnen volgen, iemand waarmee je chat een ‘bot’ kan zijn, de uitkomst van een search op Google gestuurd wordt door betalende adverteerders, dat de meest actieve internetters last hebben van eenzaamheid en depressies en vreemde mogendheden proberen onze verkiezingen te beïnvloeden, en o ja: de volgende oorlog een cyberoorlog wordt …of al begonnen is? Allemaal onbedoeld bijeffecten van de democratisering van de informatietoegang die de bedenkers van het internet niet voorzien hadden.

De vraag is nu wat de lange termijn gevolgen van het internet zullen zijn. Leverde de boekdrukkunst de reformatie, het humanisme en later de verlichting op, wat kunnen we verwachten van de digitale revolutie die nu plaats vindt? Uit de bijeffecten blijkt dat we nog niet goed weten hoe we met deze nieuwe onlinewereld moeten omgaan en het is te hopen dat ons zelfregulerend vermogen ons in staat stelt de ongewenst excessen te voorkomen. Ondertussen valt het me op dat de oude intellectuele elite het moeilijk heeft met deze ontwikkelingen omdat zij hun oude positie van poortwachter aan het verliezen zijn. Dat blijkt uit de dalende verkoop van kranten en boeken maar ook uit het opkomende populisme dat zich vaak richt tegen intellectuelen en journalisten (Trump vs. CNN). Eigenlijk logisch, de democratisering van de informatievoorziening zal zich in eerste instantie richten tegen de oude poortwachters tot informatie net zoals dat destijds na de uitvinding van de boekdrukkunst gebeurde tijdens de beeldenstorm.

Op dit moment is het echter onduidelijk wat al deze nieuwe digitale ontwikkelingen op termijn gaan opleveren: blijven we allemaal in onze ‘bubble’ zitten of gaan we af en toe switchen? Laten we onze politieke voorkeur afhangen van de consensus in de eigen groep of vormen we liever onze eigen mening? Worden we kritisch op ons onlinegedrag of laten we ons leiden door ‘influencers’ die onze behoefte gaan bepalen…

De brug waar Hannah Arendt het over heeft is een multidimensionale snelweg geworden waarop we de innerlijke dialoog met onszelf niet alleen moeten afstemmen met ons ‘offline’ maar ook met ons ‘online’ openbare leven.