Ondertussen

Terwijl Erik stond te wachten op de lift zag hij aan de overkant van de straat op dezelfde verdieping mensen achter beeldschermen zitten. Niemand keek naar elkaar, niemand communiceerde met een ander en de werkvloer aan de overkant leek wel een exacte kopie van de afdelingen die hij net achter zich had gelaten. Werk bestaat tegenwoordig uit het reageren op wat er op het scherm gebeurt, dacht hij, en of je nou voor het ene bedrijf werkt of het andere, de computer is de spil waar alles om draait. De lift bracht hem naar de parkeerverdieping, zijn auto en de snelweg die zich voor hem uitrolde. 

Erik woonde ongeveer een half uur rijden van zijn werk en dat was een van de weinige momenten op de dag dat hij even alleen was en geen andere mensen om zich heen had. Zo gauw hij thuis zou zijn zouden zijn vrouw en kinderen weer al zijn aandacht opeisen. Onderweg stopte hij bij het tankstation, vulde bij en kocht een saucijzenbroodje, iets dat hij wel vaker deed. Hij wist wel dat dat niet goed voor hem was maar een hap tussendoor gaf hem een verzadigd gevoel zodat hij thuis niet meteen op de koelkast hoefde af te lopen om zijn honger te stillen. 

Thuis aangekomen kleedde hij zich boven om, pakte de krant en ging in zijn stoel zitten. Zijn vrouw was aan het koken terwijl zij aan het bellen was met haar moeder en de kinderen zaten op hun laptops naar een serie op Netflix te kijken, een ritueel dat zich dagelijks herhaalde. ‘Wil je een glas wijn’, riep zijn vrouw Nina uit de keuken. “Wat eten we dan?’, riep hij terug. ‘Pasta’, riep zij terug waarop hij ‘OK’ terugriep. Zijn vrouw kwam met een glas rode wijn uit de keuken aanzetten, zette dat bij hem neer, en liep meteen weer terug naar de keuken. Ze had haar werk-outfit nog aan, een saaie grijze jurk waarvan ze meerder versies had.

Erik kwam op pagina twee van het NRC een bericht tegen dat zijn aandacht trok. Het ging over de AIVD die een cyberaanval had gedaan op een Iraanse nucleaire installatie door een AIVD-agent die een USB-stick met een virus naar binnen wist smokkelen. Bij deze aanval had de AIVD samengewerkt met de Amerikanen en de Britten. Dat verbaasde hem niets. Hij had zelf meegemaakt dat partijen in het Midden-Oosten geen zaken wilden doen met de VS of de Britten maar Nederland als partner nog wel aanvaardbaar vonden terwijl het project daadwerkelijk op Amerikaanse of Britse bodem werd uitgevoerd. Daar stond voor de Nederlandse bedrijven dan een mooie vergoeding tegenover en Nederlandse accountmanagers en projectmanagers verdienden er een mooie boterham aan.

Zijn vrouw kwam aanzetten met en het bord pasta, blijkbaar werd er vandaag niet aan tafel gegeten. Aan de ene kant was dat wel makkelijk maar andere kant vond hij het jammer dat dit steeds vaker gebeurde, zo sprak hij zijn kinderen steeds minder. Dit soort routines slopen er langzaam in en weken af van wat ze destijds toen ze kinderen kregen hadden afgesproken, samen aan tafel eten als middel om in ieder geval één maal per dag echt met elkaar te communiiceren. Zijn vrouw kwam terug uit de keuken en ging naast hem zitten en zette de televisie aan. ‘Zin in een serie?’, vroeg ze? ‘Daar gaan we weer’, dacht hij.

Jeroen Wielaert’s roman ‘Oorlogsvrede’

Behalve dan den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan Jeroen Wielaert. Henk Mobach kwam met hem aanzetten in Café De Vriendschap aan ‘t Wed toen-i uit Veenendaal terugkwam waarbij Jeroen meteen de vraag op tafel gooide: ‘Hoeveel vrede hebben we nu eigenlijk, met dit soort oorlog overal?’ Ik heb het over 1975 en de heftige discussies die wij voerden op de vrijdagmiddag in onze stamkroeg met een biljart in het midden, dat overigens naar mij weten nooit gebruikt werd, en geen WC voor dames apart. Steevast hadden wij de laatste column van Piet Grijs en Renate Rubinstein in Vrij Nederland gelezen dus genoeg stof om het te hebben over het kabinet Den Uyl of het terrorisme van de RAF.

Daarna volgde het uitwisselen van onze plannen voor het weekend, voorzover ze met ons beperkte budget realiseerbaar waren, waarbij ik meestal voor de goedkoopste optie koos: het aanschaffen voor een tientje aan ‘stuf’ bij een illegale handelaar ergens op een bovenwoning en dat bij Mobach op zijn zolderkamer oproken alvorens weer naar de kroeg te gaan (als het er overigens nog van kwam). Jeroen deed daar niet aan mee want die bleef meestal in de kroeg hangen, het echte leven speelde zich daar immers af. De Veenendalers namen mij af en toe mee naar hun jeugdhonk in hun woonplaats waar ik de meest fantastische concerten heb meegemaakt van Herman Brood, Gruppo Sportivo en Sweet d’Buster en Jeroen al fotograferend rondliep.

Met oud en nieuw ben ik een paar keer met Jeroen, Mobach en een aantal anderen in een oude Citroen DS met een kofferbak vol drank naar Terschelling gevaren, niet om ons om de mooie natuur te bekommeren maar om de Terschellingse kroegen te bezoeken, het is daar altijd erg gezellig in de kerstperiode. Op een gegeven moment besloten Jeroen en ik onder barre omstandigheden Paal 30 te bereiken, het meest oostelijke punt van Terschelling, zeg maar het einde van de wereld. Fietsend, wandelend en de laatste kilometers op blote voeten over krakend ijs bereikten we het eindpunt om daar gezamenlijk een heupfles Beerenburg soldaat te maken. Dat soort dingen deden wij dus, jongens waren wij, maar wel aardige jongens.

Daarna ben ik Jeroen uit het oog verloren. Maar na een aantal jaren hoorde ik hem steeds vaker op de radio met zijn gedragen en sonore stem verslag uitbrengen over van alles en nog wat. Terwijl ik ingewikkelde boeken zat te bestuderen op mijn kamertje in Utrecht rapporteerde hij over de ontruiming van Amelisweerd, terwijl ik onderweg naar mijn volgende saaie IT-project in de file stond hoorde ik hem op de autoradio enthousiast achtergrond rapportages maken over de Tour de France en terwijl ik op de bank met schreeuwende kinderen om mij heen naar het vallen van de muur zat te kijken was Jeroen natuurlijk al lang ter plaatse voor een sfeerimpressie. En natuurlijk is hij altijd aanwezig bij het Boekenbal, de uitreiking van de Libris literatuurprijs in het Amstel Hotel tussen al die beroemde schrijvers of bij Pinkpop Bruce Springsteen aan het interviewen en zit hij, terwijl ik in mijn keuken dit stukje zit te typen, op Terschelling een rapportage te maken over Oeral. Zucht…

En dan nu een echte roman van zijn hand, ‘Oorlogsvrede’, 299 pagina’s diep en uitgegeven door De Arbeiderspers en met een fraaie jaren zestig omslag. Het boek bestaat uit drie delen: het eerste gaat over onze generatie die opgroeide na de Tweede Wereldoorlog en na de roemruchte jaren zestig die we net niet bewust hebben meegemaakt maar onze oudere broers en zussen wel. Heel herkenbaar. Het tweede gedeelte gaat over de Tweede Wereldoorlog en wat zich allemaal afspeelde in de beslotenheid van een onderduikers huishouden en de impact die dat ook decennia na de oorlog nog heeft en het laatste deel beschrijft het verhaal achter het verhaal, de eeuwig durende zoektocht naar onze roots. Terwijl ik de roman las dacht ik dat Jeroen een goed verhaal had bedacht maar al lezende kwam ik er tot mijn verrassing achter dat dit familieverhaal echt gebeurd is, de werkelijkheid is soms ontroerender dan je kan verzinnen. Dat voegt een interessante dimensie toe aan dit boek en geeft het verhaal diepgang, marketing technisch zou je daar wat meer mee moeten doen Jeroen. Ik heb het boek dan ook geboeid in twee dagen uitgelezen en wilde na elk hoofdstuk weten wat er in het volgende gebeurde.

Dit wordt verstrekt door het veelvuldig toepassen van dialogen en dat maakt het boek extra sterk, geen lange beschrijving maar indringende dialogen tussen echte mensen. Hoewel ik begrijp dat Jeroen dit boek in de beslotenheid van zijn geheime landgoed heeft geschreven is Jeroen toch in eerste instantie de journalist die in de kroeg, terwijl hij met anderen aan het discussiëren is, een paar notities op de achterkant van een bierviltje maakt, en daar daarna een mooi verhaal of project van weet te maken. Ik kwam hem laatst nog tegen terwijl ik in Utrecht van het station naar mijn saaie werkplek op Oudenoord liep vlak voor het muziekcentrum Vredenburg, hij op de fiets op het drukste fietspad van Nederland en ik wachtend om te kunnen oversteken, ‘Hééé Gerard’ riep hij, en hij was alweer op weg naar een nieuwe afspraak in een of andere Utrechtse kroeg, waarschijnlijk voor een diepte interview, Café De Vriendschap bestaat niet meer dus daar zal het vast niet geweest zijn.

De Rijn bij Rhenen is sedert naar het Westen blijven stromen en de mensen zijn blijven voorttobben. Ook de zon komt nog op en iedere avond krijgen wij van Jeroen het Nieuws van den Dag nog. Zijn bestemming in Friesland is mij altijd onopgehelderd gebleven.

Vrijheid van meningsuiting

Een tijd terug was ik in het Groninger Museum voor een tentoonstelling ‘Student in Groningen 1614-2014’. Omdat ik zelf in Groningen gestudeerd heb was ik natuurlijk met name geïnteresseerd in de periode 1968 – 1980, de periode tussen de studentenopstanden aan  universiteiten over de hele wereld waarbij zij massaal in verzet kwamen tegen de toenmalige elite en meer inspraak eisten en de periode dat ik zelf in Groningen economie studeerde.

Wat mij opviel aan deze tentoonstelling is de continue historische lijn van het succes van de studenten corpora als dominante factor binnen het studentenleven en het kleine intermezzo van eind jaren zestig tot begin jaren tachtig dat wordt gekenmerkt door turbulentie en grote veranderingen. Welgeteld één wandje was volgeplakt met foto’s over acties in die tijd waarna de tentoonstelling weer vrolijk verder ging over Vindicat, ontgroeningen en andere studenten rituelen die nu nog steeds het nieuws halen.

Dus tijdens die 400 jaar zijn de roerige jaren zestig maar een klein intermezzo van 15 jaar geweest waarin studenten streden om meer zeggenschap en en toegang tot het onderwijs voor iedereen. Ik heb zelf in die tijd, na mijn switch naar Utrecht daar in de faculteitsraad Sociale Wetenschappen gezeten waar mijn stem evenveel waard was als die van de professoren en wetenschappelijk medewerkers. Ik zat toen in de faculteitsraad met de spraakmakende psycholoog professor Piet Vroon die deze inspraak maar niks vond en dat leverde interessante discussies in de faculteitsraad op.

Ik was in die tijd meer bezig met dit soort zaken dan met mijn studie zelf en hoefde als student alleen collegegeld te betalen om te kunnen studeren (500 gulden geloof ik) en dan kreeg ik een studiebeurs, mijn studievoortgang werd toen niet gecontroleerd. In die periode werd het hoger onderwijs voor het eerst breed toegankelijk voor velen en daar heb ik toen van kunnen profiteren: mijn ouders hadden beide niet gestudeerd en ik behoorde tot de eerste generatie van mijn familie die toegang kreeg tot het wetenschappelijk onderwijs.

Dat is tegenwoordig allemaal anders. Studiefinanciering is er nog wel maar niet meer als beurs maar als lening en alleen als je genoeg studiepunten hebt mag je verder. Het overstappen van de ene studie kan wel maar kan consequenties hebben voor je studiefinanciering en de hoogte van het collegegeld etc.. Door al deze beperkingen is studeren dus niet meer zo vanzelfsprekend als in mijn tijd.

Tijdens die tentoonstelling in Groningen realiseerde ik me dat de democratiseringsbeweging van 1968 dus maar heel beperkte invloed heeft gehad. Ik geloofde destijds democratisering een onomkeerbaar proces was en dat de dingen die we realiseerden niet meer terug gedraaid konden worden.

Ik moest hier aan denken toen ik in de Volkskrant vanmorgen, 5 december 2917, een artikel las over de vrijheid van meningsuiting, religiekritiek en het opkomen voor humanistische waarden. De Internationale Humanistische en Ethische Unie (IHUE) heeft een rapport gepubliceerd, het Freedom of Thought Report 2017, en daaruit blijkt dat het geweld tegen ongelovigen, agnosten en vrijdenkers extremer wordt en dat deze ongelovige steeds feller worden gediscrimineerd, vervolgd of zelfs gedood. Zo is in Pakistan de student Mashal Khan onlangs doodgeslagen door een groep woedende studenten omdat hij zich op Facebook humanist had genoemd.

In ons land zijn er, volgens recent onderzoek, meer atheïsten dan gelovigen en daarom doen we het waarschijnlijk beter dan andere landen wat betreft de vrijheid van meningsuiting. Toch moeten we waakzaam zijn, ook hier hebben afvallige moslims die zich afwenden van de Islam het moeilijk zoals blijkt uit een onderzoek van Gert Jan Geling, docent aan de Haagse Hoge School volgens hetzelfde artikel in de Volkskrant.

En het zijn niet alleen religieuze redenen die de vrijheid van meningsuiting beperken. Neem bijvoorbeeld het recente voorbeeld van de Amerikaanse Juli Briskman die recentelijk onder het fietsen haar middelvinger opstak naar een konvooi dat de president vervoerde. De reden waarom ze dit deed was dat ze boos is op het politieke klimaat in de VS: ‘Dit was een mogelijkheid er iets van te zeggen.’. Een foto van dit  voorval ging al snel rond op het internet en een dag later werd ze ontslagen door het bedrijf waarvoor ze werkte Akima LLC. 

Als reden voor haar ontslag gebruikte haar werkgever het argument dat Briskman deze foto als profielfoto op social media had gebruikt en dat ze daarmee het social mediabeleid van het bedrijf overtrad. Pas maar op dus, protesteren tegen de overheid kan je dat dus je baan kosten in het land waar de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst in de grondwet staan.

Het vooruitgangsgeloof dat wij hadden in de jaren zestig en de verwachting dat alles als maar beter zou worden is dus een verschijnsel van voorbijgaande aard geweest. Uit het rapport van de IHUE blijkt dat de vrijheid van meningsuiting wereldwijd flink onder druk staat en vrijdenkers in veel landen op hun tellen moeten passen.

Blijven schrijven dus maar…