Alleen de kunst kan ons redden

Geschreven februari 2020 voor de corona pandemie uitbrak:

De recente discussie over het tonen van een vrouwelijk naakt van Edgar Degas in het Van Gogh Museum, maar ook berichten uit de VS dat in een aantal particuliere musea bepaalde schilderijen als aanstootgevend worden gezien en daarom niet worden tentoongesteld, toont aan dat de museale wereld onder druk van de commercialisering van de kunstmarkt zelfcensuur toepast. Voor mij, opgegroeid in de jaren zestig, heeft kunst altijd een taboedoorbrekende en emancipatoire functie gehad en daar worden nu dus blijkbaar beperkingen aan opgelegd door de museale wereld die steeds meer afhankelijk is geworden van subsidies en sponsoring door grote bedrijven. 

Ook op andere terreinen heeft het bedrijfsleven invloed op wat wel en niet toegestaan is zoals ik zelf een tijdje geleden heb ervaren toen een foto door mij gemaakt gemaakt tijdens een tentoonstelling van werk van Erwin Olaf in he Haags Gemeentemuseum (sorry, tegenwoordig Museum Den Haag, ook weer zo’n marketing dingetje) door Instagram verwijderd werd met het dreigement dat als ik nog éen keer zo’n foto zou publiceren mijn account verwijderd zou worden, daarmee mij dwingend tot zelfcensuur. Gelukkig heb ik een eigen website, hoewel, ook WordPress waarmee deze site gemaakt is zie ik in staat op een geven moment de content van mijn website te gaan controleren…

Foto Erwin Olaf 

Vorige week bezocht ik in Amersfoort een lezing van Herman Pleij over zijn recent verschenen boek ‘Oefeningen in genot’ over de zijn ontdekking dat er naast de seksuele revolutie van de jaren zestig er ook nog éen is geweest rond 1500: ‘Ineens gingen de schrijvers toen helemaal los’. Volgens Pleij hebben we te maken met een golfbeweging, tijden van preutsheid worden afgewisseld met tijden van lossere zeden en volgens hem zitten we nu weer in zo’n neergaande periode. Na afloop bij het signeren van zijn boek, sprak ik hem kort en merkte ik op dat zijn boek erg deed denken aan het ‘Het Civilisatieproces’ van de socioloog Norbert Elias uit 1939, dit boek had hij tijdens zijn onderzoek inderdaad ook als bron gebruikt.

Over de rol en functie van de kunst in de maatschappij is door grote denkers in het verleden al veel geschreven. Zo maakte de filosoof Friedrich Nietzsche een onderscheid tussen het apollinische en het dionysische waarbij het apollinische staat voor de wereld volgens de morele rationale mens zoals dit tot uiting komt in de de schilderkunst, de architectuur en andere voorstellingen van onze verbeelding. Naast deze wereld is er de dionysische wereld van de buitengewone ervaringen van de mens die zijn existentiële grenzen overschrijdt zoals de muziek en de tragedie waarbij de menselijke wil zich laat spreken.

Het belangrijkste uitdrukkingsmiddel van het apollinische is de taal – die zo zijn beperkingen heeft – terwijl het dionysische rechtstreeks binnenkomt – voor wie daartoe ontvankelijk is – zoals dat gebeurd bij de muziek en het theater en die dus van een hoger orde zijn. Niet voor niks was Nietzsche jaloers op Wagner die uitmuntte in de muziek, iets wat hij zelf graag ook wilde maar na een aantal mislukte pogingen opgaf. Hij kon het moeilijk verdragen goed in iets te zijn (schrijven, filosofie) dat niet rechtstreeks tot je kwam maar via die de beperkingen van de taal. 

Ondergrondse kunst in Iran

Een dergelijk onderscheid vindt je ook bij vader van de psychologie Sigmund Freud die een onderscheid maakt tussen Thanatos en Eros waarbij bij Thanatos – de doodsdrift – de ratio centraal staat en ons streven alles te beheersen en berekenbaar te maken, de domeinen van de wetenschap en de filosofie die tot doel hebben onze driften te sublimeren zodat onze driften niet de overhand hebben en wij binnen de rationele kaders van de wetenschap en de filosofie zinvol kunnen leven. Daartegenover staat Eros, de lust, de levensdrift, de kunst en de cultuur die tot uiting komt door de mimesis: de nabootsing, weerspiegeling of weergave van de zintuiglijk waarneembare werkelijkheid waarbij het bijzondere of afwijkende niet aan het algemene wordt onderwerpen. Hierbij gaat het niet om de sublimering der driften maar juist om de de cultivering daarvan.

De socioloog en filosoof Jurgen Habermas voegde aan dit onderscheid tussen de ratio en het zintuigelijke een maatschappelijke dimensie toe door een onderscheid te maken tussen systeem en leefwereld. Het systeem staat daarbij voor onze materiële reproductie en kent de subsystemen economie en staat die moeten borgen dat niemand tekort komt en de reproductie systemen efficiënt ingericht zijn. Habermas constateert dat In de loop van de tijd deze systemen steeds complexer zijn geworden waardoor strategisch handelen en het bezitten van geld en macht steeds belangrijker zijn geworden waardoor de maatschappelijke ongelijkheid is toegenomen. Het neo-liberalisme is daar een uiting van.

De leefwereld staat hier los van en wordt gedomineerd door de subsystemen privé en politiek waar door het communicatieve handelen op basis van rationeel handelende argumenterende personen consensus ontstaat over een gemeenschappelijke werkelijkheidsdefinitie. Door de communicatieve processen die zich in deze twee domeinen tussen actoren afspelen wordt in het dagelijks leven al communicerend de leefwereld tot stand gebracht. De leefwereld omvat niet alleen cultureel overgeleverde interpretatiekaders zoals religie, kunst en cultuur maar bestaat ook uit de maatschappelijke instituties die deze leefwereld vorm geven.

Ondergrondse kunst in Iran

Terwijl de systeem wereld steeds complexer wordt en de invloed van de staat en de economie op onze leefwereld steeds groter wordt, worden de bij de leefwereld behorende subsystemen als religie en traditie steeds minder belangrijk waardoor onze leefwereld steeds meer uitgehold wordt en monetaire en bureaucratische middelen onze leefwereld binnendringen en kolonialiseren, tegenwoordig geholpen door nieuwe middelen als resultante van het huwelijk tussen marketing en IT.

Het domein van de politiek is tegenwoordig volledig ingekapseld in de systeemwereld en ontdaan van haar ideologische component en binnengedrongen in onze leefwereld die daardoor wordt ingeperkt en ten koste gaat van onze verbeelding. Waar de taal drager van betekenis is en bepaald hoe de wereld aan ons verschijnt zouden kunst en cultuur onze leefwereld moeten verruimen en nieuwe gebieden doen betreden die nog niet ontgonnen zijn. Maar helaas is ook onze kunstwereld de laatste decennia sterk gekolonialiseerd door de systeemwereld en gedomineerd door de wereld van het grote geld en de marketing en willen musea vooral blockbusters als publiekstrekkers en is het voor nieuwe kunstenaars die niet commercieel denken moeilijk een plaats op de kunstmarkt te verwerven.

Habermas was daar pessimistisch over en had het in de jaren zestig al over het einde van de kunst net als Francis Fukuyama het begin jaren negentig over het einde van de geschiedenis had, daar heeft hij nu 30 jaar later toch echt ongelijk in gekregen. Kunst is er altijd geweest en zal altijd blijven hoewel de vorm verandert en steeds op onverwachte plekken in nieuwe gedaanten opduikt. Wellicht zijn onze huidige kunstinstituties wel niet de beste plekken om deze te tonen.

Toch is er hoop voor de kunst nu kunstenaars door het beschikbaar komen van allerlei nieuwe digitale kanalen hun werk aan een groot publiek kunnen aanbieden zonder afhankelijk te zijn van musea, kunstgalerijen of uitgevers. Een heel nieuw business model waarbij kunst rechtstreeks de toeschouwer kan inspireren en daarom potentieel een enorm machtig instrument om maatschappelijk invloed uit te oefenen: één video of post kan een enorme impact hebben op een groot publiek.

Kunstenaars moeten het aandurven nieuwe thema’s aan de orde te stellen zoals bijvoorbeeld het kolonialisme of de invloed van fake news op het maatschappelijke debat. Hoog tijd dat een nieuwe generatie kunstenaars opstaat om deze nieuwe thema’s aan de orde te stellen. Wellicht gebeurd dat echter al, zonder dat de huidige kunstelite dat door heeft, en noemen deze nieuwe kunstenaars zich vloggers of influencers in plaats van kunstenaar en zitten die nu met allerlei nieuwe kunstvormen te experimenteren in Senegal, Hanoi en Bogota en zijn ze geheel nieuw taboes aan het doorbreken waarvan wij het bestaan nog niet eens vermoeden…

Geschreven april 2020 na het uitbreken van de corona pandemie:

Inmiddels zijn we twee maanden verder en is er veel veranderd. De musea zijn dicht, lezingen zoals die van Herman Pleij worden niet meer gegeven en onze leefwereld is plots ingeperkt tot onze naaste omgeving en 1,5 meter afstand tot anderen. Tijd dus voor reflectie, goede 1 op 1 gesprekken met anderen en het lezen van boeken waar je nooit eerder aan toekwam.

Een van de boeken die ik onlangs las is de ‘Kritiek van de cynische reden’ van Peter Sloterdijk verschenen in 1983. Sloterdijk stelt dat ‘perioden van chronische crisis van de menselijke levenswil eisen dat hij de status van permanent onzekerheid  accepteert als onvermijdelijke achtergrond van zijn streven naar geluk’. Dan wordt het tijd voor kynisme; dat is de levenskunst van de crisis: ‘kynisme houdt geen scepsis of relativisme in maar vrijpostigheid of durf waarbij het gaat om de moed de problemen en dilemma’s die de crisis met zich meebrengt te doordenken maar ook om de moed te durven leven.

Als je een diagnose zou maken van onze samenleving na de overrompelende uitbraak van het coronavirus zou je kunnen stellen dat de samenleving in zijn geheel ziek is en genezing op korte termijn niet mogelijk is waardoor we ons in een periode van grote onzekerheid bevinden: iedereen kan plots slachtoffer zijn. Echte oplossingen zijn op korte termijn niet te verwachten tot er een vaccin is gevonden behalve dan door ingrijpende maatregelen te nemen die betrekking hebben op ons gedrag en de manier waarop we met elkaar samenleven om de kans op besmetting of overlijden te verlagen. En daarmee hebben we niet alleen te maken met een een medische kwestie maar ook met een gedragskwestie. En ook al zou de huidige covid-19 pandemie door het beschikbaar komen van een vaccin opgelost kunnen worden, dan nog is het verstandig de wijze waarop we ons verhouden tot elkaar aan te passen, al was het alleen maar omdat toekomstige, nog veel ernstigere pandemieën niet uit te sluiten zijn.

Kortom, willen overleven vraagt aanpassen van onze levensstijl, aanvaarden dat je dingen niet kunt veranderen en binnen dat aanvaarden van de omstandigheden actief en strijdbaar zijn en een nieuwe vorm weten te vinden waarop mens en werkelijkheid zich met elkaar kunnen verhouden.

De grote vraag is nu: hoe moet je leven in tijden van grote onzekerheid? De Franse filosoof Albert Camus stelt eveneens deze vraag in ‘De mythe van Sisyphus’ met als ondertitel ‘Een essay over het absurde’. Camus stelt dat wij allemaal verlangen naar duidelijkheid omtrent ons bestaan maar daar geen duidelijk antwoord op krijgen waardoor het absurde ontstaat: de mens heeft een hevig verlangen naar waarheid en vraagt om een antwoord maar de wereld zwijgt op een onredelijke wijze. En naarmate de onzekerheid groter wordt, zoals nu het geval is, wordt de vraag hoe te leven steeds urgenter.

Hoe los je dit nu op? Camus komt in zijn essay met vier scenario’s:

  1. De sprong naar religie waardoor het irrationele en onverklaarbare betekenis krijgt, vroeger een vertrouwd concept;
  2. De sprong naar verklaren in een eindeloze poging alles wat niet verklaard kan worden binnen het domein van de rede te krijgen terwijl er steeds weer opnieuw nieuwe onzekerheden ontstaan;
  3. De sprong naar de kunst die de onzekerheid omzet in een kunstwerk dat ons opnieuw leert zien, opmerkzaam maken of van iedere gedachte of beeld iets bijzonders weet te maken;
  4. De sprong naar de depressie met de dood als ultieme consequentie wanneer men het absurde niet kan accepteren.

Dat laatste lijkt me niet zo’n goed plan en scenario 2 en 3 trekken mij het meeste aan maar omdat scenario 2 nog een lange weg te gaan heeft voordat het met oplossingen komt zou ik het liefst willen inzetten op scenario 3. Maar waarschijnlijk zal scenario 1 voor veel mensen ook zo zijn aantrekkelijke kanten hebben.

Kunst kan ons een spiegel voor houden en helpen om te gaan met ons onbehagen nu we niet meer kunnen leven zoals we gewend waren.